Tagarchief: camping

Hiërapolis

 

Wat kan het leven toch schoon zijn…Zie ons hier staan op onze stekkie voor de nacht, aan het meer van Horyan Gölü. Waar de berg rechts ons een roodgloeiend spektakel opvoert van de ondergaande zon, maakt de berg aan linkerzijde zich klaar voor de ovatie van een volle maan die in aanvang met blauwgetinte schuchterheid van over de bergrand piept maar kort nadien als een felwitte spot haar lichtsluier over het meer uitspuwt, geassisteerd door menig sterspelertjes. Achter ons horen we het geblaat van een kudde schapen die, onder waakzaam oog van zijn herder, de omliggende heuvels afgraast. En vanuit de verte stijgt het ‘Allah Akhbar’ gezang uit de minaretten van de moskee van een dorp dat lijkt te drijven aan de oever het meer. Dat… en het feit dat we morgen niet moeten gaan werken, stemt ons oooh zooo content. Arno geraakt helemaal op dreef en maakt nog een kampvuurtje. Het aanmaakhout, dat we enkele dagen voordien van een Turk hadden gekregen, en eigenlijk niets meer is dan de wortel van olijfbomen, is efficiënter dan een zipke. Het was ook vandaag weer zinderend heet en de koelte van de bergen doet ons deugd.

Gisterenmorgen hadden we ons plaatsje aan de vlaggenmast in Manissa verlaten na ons ontbijt op het nabije terras met zicht op de stad met maar liefst 423 000 inwoners. Waar de dag voordien nog het gejengel van het bruidsfeest te horen was, werden we nu verwelkomd door het geblaat van een kudde geiten die vlakbij ook hun ontbijt namen. Toen de plaatselijke nachtwaker van de mast (zo hebben wij het althans begrepen) niet van onze zijde week en er erg zijn schik in had om samen met mij gefotografeerd te worden, waarna hij mij nogal uitbundig kuste, hebben we onze biezen gepakt, richting Pamukkale. De weg is nogal ééntonig tot we opnieuw de bergen inkruipen waar het landschap gedomineerd wordt door fruitbomen. Het is snikheet en we vinden na lang zoeken toch een klein plaatsje onder een boom om er te picknicken.
Aangekomen in Pamukkale hoor ik zachtjes het geroep van een zwembad: ‘Kom Sophietje; kom zwemmen in mijn fris en helder water.’ En jawel, even later duikt er langs de kant van de weg een camping op, mét zwembad en met Ben Ali, die ons vriendelijk wegwijs maakt op zijn domeintje. Het is nog niet echt laat maar we zijn echt uitgekookt door de warmte tijdens de rit en heel even later dobberen we in het frisse heldere water….

Vandaag hebben we Hiërapolis bezocht. Een Romeinse stad, gekend voor zijn baden en terassen in travertijn. De site is erkend door Unesco als werelderfgoed . Opvallend hoeveel er nog bewaard is gebleven van de stad die zijn hoogtepunt kende in de tweede eeuw na Christus.

We startten ons bezoek bij het opengaan van het park om 8:00 in de hoop zo de massa toeristen en de hete zon wat te vermijden. We lopen langs cypressen en honderden graven verscholen tussen klaprozen en distelstruiken tot bij de ingang van de stad en kuieren verder over het Forum, het Nymphaum, de latrines, de baden, de tempel van Apollo. Als kers op de taart is er het zo goed als intact gebleven theater, bovenaan de heuvel, waar we geslagen door zoveel schoonheid (maar ook door de brandende zon) een poosje op de koele tredes zitten mijmeren over de talloze spektakels die er ooit, onder luid gejoel en applaus van de toehoorders ten berde werden gebracht.

Terug afdalend van de heuvel komen we bij de warmwaterbron die via de bergflank over de jaren heen zijn kalk heeft afgezet wat geleid heeft tot een landschap vol sneeuwwitte terrassen.. We baden, samen met de horde toeristen die ondertussen is toegestroomd, in het warme en zachte water.
Na dit verbluffend bezoek zijn we nu on the road naar Capadocië, zo’n 500 km meer naar het oosten van Turkije, waar we in Göreme o.a. de ondergrondse steden  willen bezoeken.

Aardbeving

Op aanraden van Dirk zijn we naar het Parco Nazionale Monti Sibillini gereden. Ik had online in de buurt een camping gezocht omdat we ons toch nog eens deftig willen wassen, water nodig hebben en wifi om onze blog aan te vullen. Wat kon er beter zijn als de Monte Prata camping. Wij dus op weg. Eerst komt er een schier oneindige reeks tunnels en vervolgens een kleiner weggetje dat tussen de bergen slingert, de rivier in het dal volgend. Ik heb vlug eens op de kaart gekeken waar die camping ongeveer ligt en in mijn 2-dimensionele geest was dat op een boogscheut van het dorp Castelsantangelo sul Nera.

Bij ieder dorp dat we passeerden viel het Fietje op hoeveel ruïnes van huizen hier wel staan. Dit is hier inderdaad het gebied dat zwaar getroffen werd door de aardbeving van 2016.

ingevallen huizen

Overal zie je ingevallen huizen, ingevallen kerktorens, afgesloten verwoeste dorpen en nieuwe, saaie noodwoningen. Ganse dorpen zijn ontvolkt en al die mensen wonen nu in het dal in allemaal identieke huisjes, wat een verschil met die pitoreske dorpen.

noodwoningenDe wegen zelf zijn ondertussen grotendeels hersteld maar je ziet dat ook hier veel schade moet zijn geweest.

kerktoren

Aangekomen in Castelsanangelo sul Nera slaan we een weggetje in naar de camping. Blijkt al vlug dat de wereld ook een derde dimensie heeft. We stijgen vliegensvlug, haarspeldbocht na haarspeldbocht, de Unimog is in zijn sas. Dit gaat zo 5 km lang stijl naar boven tot we aan de overkant van het dal sneeuw zien liggen, we zitten opnieuw op 1300 meter hoogte. Hier moeten we een pad inslaan, maar de moed zinkt in onze shoenen als we een bordje zien staan “aperto 1/06 – 1/09”. We besluiten toch het padje te volgen maar aan het einde staan we voor een gesloten poort van wat een prachtige camping moet zijn.

Monte Prata

Er zit niets anders op dan iets in de buurt te zoeken en gelukkig weet onze GPS van een camping op een 25 km van deze. Ondertussen wordt het maar later en later en omdat het slecht weer is en we terug in het dal tussen de bergen rijden wordt het maar donkerder en donkerder. De Unimog wordt om veel dingen geroemd, maar zijn lichten zijn daar niet bij. Zelfs de “phares” geven ons niet echt een goed zicht op de kleine baan met zijn duizend bochten en het feit dat we moe zijn en het ook nog begint te regenen helpt ook al niet. Gelukkig heb ik de week voor we vertrokken toch nog een paar ledlampjes op mijn bumper geïnstalleerd (niet de rijlichtjes die ik op de grille heb gemonteerd, deze zijn bij de eerste zon gewoonweg smolten) en deze komen ons nu echt wel van pas, net daglicht. Gelukkig zijn hier niet veel tegenliggers…

Aangekomen bij Castelvecchio is het weer van dat. We moeten weeral een onooglijk padje in dat uitmondt in het dorpje waar we dan een bocht van 180 graden moeten maken en een helling van 30% naar beneden moeten om dan op een vierkante meter naar rechts te draaien tussen twee stenen muurtjes (die er – zover ik gezien heb – nog steeds staan).

Gelukkig worden we zeer hartelijk ontvangen en de eigenaar rijdt ons voor naar een plaats waar we kunnen overnachten. Er is een bar en die blijkt open te zijn. We besluiten ons avondeten over te slaan en gewoon pinten te gaan drinken. In de bar raken we aan de babbel met bende Britten die hier op de camping zijn om tenten voor Eurocamping op te slaan. Kleurrijke figuren die dit doen als seizoensarbeid.