Tagarchief: grensovergang

Oezbekistan here we come

Onze rustig parking is ’s morgens vroeg omgetoverd in een drukte van jewelste, aan- en afrijdende wagen en groepen dames, traditioneel opgekleed, die naar en van de mausolea lopen. We denken eerst dat er een soort nationale feestdag is, maar nadien blijkt dat het hier dagelijks van datte is. Hier wordt het Soefisme beleden, een mystieke strekking binnen de Islam.
Als we even later de mausolea van dichtbij gaan bekijken zie je inderdaad iedereen 3 keer rond de gebouwen, of een boomstronk, lopen, terwijl ze die aanraken en nadien hun handen over hun gezicht wrijven. Op de bankjes eromheen wordt luidop gebeden. Overal worden offergaven (meestal in de vorm van geld) achtergelaten.

Biddend in het portaal

We rijden terug naar de rand van het stadje en bezoeken er de ‘Golden City’, waar alles wat scheef staat . Daar worden we mee op sleeptouw genomen door een groep Turkmenen waarvan de vrouwen me mee leiden naar enkele boompjes en me gebaren het water dat in de oksels van de takken staat te wrijven over mijn knieën, ellebogen en enkels. Gegarandeerd nooit geen reuma, hoera!

scheven minaret in Golden City
Scheve graftombe

De te bezichtigen gebouwtjes zijn allen graftombes, hun daken kleurrijk versierd met visgraatmotief. Binnenin stap je eveneens drie maal rond het graf en je gaat achterwaarts weer naar buiten. Ook hier wordt onder leiding van een gebedsleider, in groep gebeden.

Na het bezoek rijden we nog langs de drukke bazaar om wat inkopen te doen en vertrekken dan naar de grenspost die een 10-tal km verderop ligt. Ondertussen is duidelijk dat het bagagerek voor het reservewiel opnieuw een deuk heeft gekregen na het zwaar parcours van de voorbije twee dagen. Arno kan het voorlopig herstellen (ttz zorgen dat het geen lawaai meer maakt), hopen maar dat het ding het wat houdt…

Turkmenistan, blij dat we je mochten leren kennen, al was de ontmoeting zeer kort. We stonden versteld in Ashgabat, verbaasd in Derweze, en ontroerd in Konye-Urgent. Jouw bewoners zijn het mooiste volk dat we tot nu toe hebben gezien. Helaas was contact moeilijk en werden we meestal met argwanende (of waren het nieuwsgierige?) ogen bekeken. Maar we hebben ook vaak gelachen, met de pompbediende met zijn koddig groen uniformpje, de portier van het hotel of de dames in de Golden City.

Grens Uzbekistan: ook hier waren we alleen, ook hier die schone Turkmeense militairkes (die ik ook hier niet mag fotograferen) en ook hier loopt alles vlot en uiterst correct.  Eén van de militairen vult zelfs alle papieren in voor ons.
Documentencontrole, GPS tracker afgeven, controle van het voertuig en hup naar de Uzbeken.
Hier geen betalingen en in een mum van tijd wordt ons visum afgestempeld. Nu nog documenten van het voertuig en controle. Maar de verantwoordelijke is in lunchpauze dus wachten maar. We kunnen Mog gelukkig in de schaduw plaatsen en maken er kennis met twee Uzbeekse studentes die interviews afnemen van toeristen die uit Uzbekistan komen. Ze spreken zeer vlot Engels en het wordt een leuke en vlotte babbel waarbij we een aantal praktische tips wijzer worden.

De lunchpauze blijkt wel zeer lang te duren en dat is ook één van grenswachters met redelijk wat sterren op zijn schouder opgevallen. Hij roept ons bij hem en begint alle papieren voor ons in orde te brengen. Heeft heeft de grootste moeite om twee formulieren in het Engels te vinden, blijkt al de rest in het Russisch te zijn opgesteld.

Na zijn papier winkel mogen de twee douaniers, die ondertussen al een halve pak sigaretten hebben afgeschooid, het voertuig controleren. Tot onze grote verwondering doen ze dat redelijk grondig, zelf de bak met batterijen moet open. Ze zijn dolgelukkig als ze elk van ons een stylootje krijgen.

Tataa Turkmenistan

Volgende stop wordt Nukkus, hoofdstad van de autonome deelstaat Karakalpakstan, waar we een hotel zoeken. Bij het binnenrijden van de stad is het voormalig communisme zichtbaar in de brede boulevards en de sobere statige gebouwen. Hier wordt vooral Russisch gepraat, de bevolking zelf heeft wat meer Aziatische trekken.

In Uzbekistan ben je verplicht om je minimum om de drie dagen te laten registreren door een hotel. De bewijzen worden in je paspoort gekleefd en die moet je bij een volgende grensovergang kunnen voorleggen. Niet naleving kan een fikse boete en heel wat tijdverlies teweegbrengen. Reden? Niemand die het precies weet. Maar hoogstwaarschijnlijk willen ze zo controleren waar je overal hebt uitgehangen.

Communistische uniformiteit in Nukus

Het hotel waar we wilden verblijven heeft geen plaats. Na wat aandringen willen ze ons toch een plaats geven in een yurt. Dat klinkt goed, maar als blijkt dat die yurt in het midden van de bar van het hotel staat en we deze dan nog moeten delen met anderen zien we er toch van af. De tweede keus blijkt wel plaats te hebben, heeft een bewaakte parking en zal voor een goedkopere prijs zelfs onze was doen.

We kopen nog een autoverzekering (5 dollar voor 2 weken),gaan geld wisselen en doen nog enkele boodschappen.
Het is snel duidelijk dat het leven hier een pak duurder is dan de vorige landen. Hotel: 40 dollar (met ontbijt, matige Wifi maar…je was wordt er gratis gedaan), 1 liter Diesel (als je dieselpompen vindt!!) is 78 cent en de etenswaren zijn ietske goedkoper dan bij ons.
Maar we genieten van ons verblijf.

Ik maak telefonisch kennis met de aardige vrouw van de hotelmanager, die systematisch door haar man wordt opgebeld en als tolk fungeert aangezien ze zeer vlot Engels praat. We praten alsof we mekaar al jaren kennen, vreemd hoe dit soms voorvalt.
Ze vraagt of we een positieve comment willen plaatsen over het hotel op iOverlander en dus zo wat reclame maken voor hun hotel. Dat willen we zeker en ik vraag of we in ruil onze watertanks gratis mogen vullen. Deal! (water is te betalen in Uzbekistan, toch de drinkbare soort, ook nieuw sinds ons vertrek).

Brokke-weg

We hebben lekker geslapen aan ons ‘haardvuurtje’. We vertrekken opnieuw richting hoofdweg en profiteren van de zanderige omgeving om ons Mogje in actie te filmen.

Da’s pas lekker ontwaken

Het gaat verder noordwaarts, naar het stadje Konye-Urgench, nabij de grens, waar we zullen overnachten en dan morgen de grens oversteken.
De Highway to Hell lijkt hoe langer hoe meer een understatement en we spenderen de volledige dag aan 290 km brokkeweg-rijden met als enige weg-kompanen de vele kamelen die je hier in diverse stadia spot: slenterend over de baan of verteerd door zon, zand en tijd…

 

 

 

 

We zijn (het) moe als we eindelijk in Konye-Urgench arriveren en houden halt op een rustige en ruime parking in het centrum, net naast de mausolea. Nadat we iemand hebben aangesproken die daar in een soort officieel ticket kotje zit en nadat deze eerst nog iemand ander heeft gebeld (die ik ook aan de lijn krijg), krijgen we toestemming om daar te overnachten. Het mooie zicht op de mausolea met de ondergaande zon krijgen we er gratis bij.

Zonsondergang in Konye Urgenche

Ik werp drie kusjes naar de weelderige sterrenhemel, gelukkige verjaardag lieve mama.

Den Overgank

Et voilà, de dag den overgank is aangebroken. En net zoals bij iedere grenspost worden we ook nu geconfronteerd met het jammere afscheid van wat ons vertrouwd leek, maar evenzeer met het gekietel om het onbekende tegemoet te gaan.
En terwijl de kilometerteller gestaag draait naar het ronde getal 10 000 beseffen we dat we vandaag net twee maanden op reis zijn en reeds 6 landen hebben doorkruist. God, het voelt alsof we al een jaar onderweg zijn.

Au revoir Iran, we hebben echt met volle teugen genoten van je Perzische pracht, die we mochten ontdekken zowel in je majestueuze maar ooh zo fijne bouwwerken als in je verrassend mooie natuur. De laatste dagen door het Köpet Daggebergte met als summum ons verblijf in Tamoureh Nationaal Park waren de kers op de taart van deze onvergetelijke trip. We zullen jou, en je lieve bewoners, altijd een warm plaatsje toekennen in ons hart.

Ok, genoeg melige blabla, nu den overgank die bij Arno een beetje gepaard gaat met slappe stoelgank. Maar zoals immer bereidt ons Arnootje zich zorgvuldig voor: alle documenten worden klaargelegd, gerangschikt volgens belangrijkheid; dollars worden geteld en zijn grijpklaar; Ipad, laptop, camera worden zorgvuldig weggeborgen (zodat die tijdens een controle ook niet plots ‘verdwijnen’), en de sloffen sigaretten die we in Iran nog hebben gekocht (tja, 30 cent voor een pakje, in Turkmenistan 20 dollar!)verdwijnen in onze geheime ruimte. Ik poets nog even de binnen met nat en we maken dat al ons gerief in de kastjes netjes geordend is. Nog even de glimlach oefenen and off we go!

‘Vies’ dorpje in Iran

Samengevat door Arno, die het hele gebeuren heeft gecoördineerd (en mij meermaals had verwittigd dat ik mijn franke teut moet houden en ook mijn niet te misverstane non verbale expressies achterwege moest laten, pfffff):

Het einde van de enige straat hier bestaat uit een groot hekken met een poort. Eens daar gepasseerd worden we naar een parkeerplaats verwezen. Dit is gewoon een controle om te zien of alle papieren ok zijn voor de grens. Ook hier roept de naam Belgie onmiddellijk de associatie met Eden Hasard op, voetbal is hier ook koning.
Zoals verwacht mogen we verder, de berg op, want daar is eigenlijke de grens. De eigenlijke grens bestaat aan de Iraanse kant uit een lang gebouw met meerdere poorten, allemaal gesloten en nergens geen mens te zien. Bij de laatste poort is er beweging en staan er auto’s. Onmiddellijk doet iemand teken dat we al te ver zijn. We moeten de voorlaatste poort hebben en meneer Iri zoeken. Er wordt gewezen naar de rest van het gebouw om te tonen waar die zit.
Ik probeer alle deuren (waar telkens op staat ‘driver registration’, allemaal gesloten behalve de laatste. Binnen hangt een enorm plakaat ‘verboden te roken’, de rook is er te snijden. Op de tweede verdieping vind ik een rij nagelnieuwe bureau’s maar geen ziel te bespeuren. Verderop zijn er loketten en daar is er leven. Opnieuw wordt me gezegd dat ik meneer Iri moet hebben, verkeerde afdeling, terug naar af. Ik loop verder naar een paar militairen om de weg te vragen, niemand kan me helpen.


Als ik terug naar de Mog wil lopen probeer ik het toch nog eens bij de klusjesman die net komt aangereden. Hij toont me een trap met een deurtje, daar moet ik zijn. Meneer Iri en zijn assistent zijn goedlachse kerels die onze gegevens nogmaals opschrijven in een reuzeboek zoals ze dat bij ons ook nog doen bij de douane als je een auto importeert.
Eenmaal alles in het grote boek staat en onze carnet de passage afgetekend is loopt de assistent met ons mee en opent de grote poort. We worden vriendelijk uitgewuifd en tufffen tot aan de laatste militaire post.
Moeten we natuurlijk eerst nog onze paspoorten laten afstempelen. Eén van de militairen loopt met ons mee terug naar het gebouw en een paar minuten later kunnen we de echte grens oversteken.
Aan Turkmeense kant moeten we eerst onze papieren tonen aan een stel militairen. Fietje is onmiddellijk stapelzot van hun uniformpjes. Het zijn allemaal piepjonge gastjes in camouflagepak met een assortie cowboyhoedje. Allemaal zeer behulpzaam en vriendelijk. Na de eerste check worden we doorverwezen naar het gebouwtje een beetje verder, de Mog moet daar aan de kant blijven en wij naar binnen. Er is al een wachtrij voor ons, het loket is blijkbaar nog niet bemand. Als wij binnen komen gaat één van de militairen op een bel gaan duwen en een beetje later verschijnt een goedlachse man die zich voorstelt als de dokter. We moeten een medische controle ondergaan. Deze bestaat eigenlijk uit het nemen van je temperatuur. Allebei in orde natuurlijk en nu mogen we naar de “bank”. Hoewel we reeds 55 dollar per paspoort hebben betaald moeten we hier nog eens 10 dollar per persoon betalen en 4 dollar stempelrecht. Het is de eerste van een reeks betalingen die nog volgen voor we alle papieren hebben.
Als we dit betaald hebben moeten we onze paspoorten laten afstempelen. Ondertussen ligt er al een stapel paspoorten aan het loket. Als er uiteindelijk iemand opdaagt laten de vrouwen die er voor ons waren ons voor. Enkele vragen, vingerafdrukken en een foto en alles is ok. Fietje mag door de grens, ik moet de wagen nog binnenkrijgen.
Als ik buitenkom staan er al twee mannetjes in maatpak klaar, ze gebaren me dat ik ze moet volgen. Er worden bergen papieren ingevuld, boeken geraadpleegd, tabellen geckecked en uiteindelijk krijg ik twee formulieren. Het ene is een verzekering voor de auto, 3 dollar stempelrecht en de andere is een wegentaks/dieseltaks, 10 dollar stempelrecht.
Nu verschijnt de “bankier” terug. Hij legt me uit dat ik nu naar boven moet, daar stempeltje laten zetten (weer 5 dollar) op het document dat ze net gemaakt hebben. Vervolgens weer naar de “bank” (ditmaal in een ander kantoor) en deze keer mag ik 195 dollar ophoesten voor verzekering en taksen. En nog eens 2 dollar stempelrecht.
We zijn er bijna, als ik dat allemaal heb betaald nog naar een kantoorje om alles nog eens te checken en dan naar de douane. De militair/douanier ligt te slapen achter zijn bureau en schiet wakker als ik binnenkom. Hier worden opnieuw massa’s papieren ingevuld, afgeprint, gescanned en moet ik vanalles tekenen. Hier krijgen we ook een GPS-tracker mee, deze moet in de auto mee om zeker te zijn dat we geen domme dingen doen en echt enkel op transit zijn. Stel je voor dat we ondertussen iets zouden bezoeken….
Als dat in orde is moeten ze de auto nog checken. Ik moet de Mog boven een smeerput rijden (niet dat ook maar iemand onder de Mog gaat kijken) en moet vanalles openen en tonen. Hier weerom een paar papieren invullen en tekenen en dan mag Fietje terug de wagen in en weg zijn wij.

Tataa Peppie en Kokkie!

Ziezo, en zijne stoelgank was direct weer beter!

@ tante Cécile: het is zo jammer dat ik die schone militairen niet mocht fotograferen… ze zien er adorable uit, mmmmm.

Manten en Kalle in het land van de Ayatollahs

Terwijl we zalig liggen te slapen in afwachting van de ferry (zie blog gisteren) worden we midden in de nacht gewekt door de nachtwakers. Blijkt het vertrekuur van de ferry onverwacht verzet te zijn, we moeten ons eigenlijk klaarmaken om onmiddellijk te vertrekken. Ik word maar half wakker en Fietje is ook niet helemaal fris en we besluiten om de ferry te laten zijn voor wat ze is, goed wetende dat er morgen geen ferry zal zijn.

We slapen uit (we hebben nu toch geen strikt schema meer) en als we opstaan maak ik, zoals we gisteren hebben beloofd, koffie voor de nachtwakers. We checken nog eens onze kaart en besluiten uiteindelijk het Van-meer langs boven te passeren.


Als we even langs het water een plaspauze houden stopt er een wit anoniem minibusje net achter ons. Er stappen twee mannen uit in camouflage pakken die ons vriendelijk vragen wat we hier doen en onze papieren willen controleren. Het wordt steeds meer duidelijk dat we de grens naderen.

Omdat we eigenlijk goed opschieten besluiten we om nog vandaag de grens over te steken. We slaan nog wat proviand in in de laatste stad (Dogubayazit) net voor de grens. Dit lijkt hier wel een stadje uit het wilde westen. Buiten een paar hoofdstraten zijn alle straten gewoon in aarde. Het is er een drukte van jewelste en iedereen sjouwt met tassen vol dingen die waarschijnlijk moeilijk verkrijgbaar zijn aan de andere kant van de grens. We brengen onze kamion in orde, verstoppen onze laatste blikjes bier en ook de ‘Smeerolie’ die we van onze buren hebben gekregen en skypen nog even met de jongens thuis (onze Turks data krediet mag nu wel op).

Er pakken dreigende wolken boven het westen samen en in combinatie met zeer puntige bergen geeft dat een beetje een Lord of the Rings sfeertje. Volgens Fietje moeten we eerst nog een pasje over maar na een paar kilometer zitten we weer tussen de laatste restjes sneeuw in een maandlandschap op 2700 meter hoogte.

Om 18:00 zijn we aan de Turkse kant van de grens. Buiten enorm veel vrachtwagens die staan aan te schuiven is hier niemand. Het spel begint slecht als ik bij de eerste controle al niet meer versta wat het mannetje achter het raampje eigenlijk wilt zien. Blijkt dat deze controle enkel over de auto papieren gaat (de auto wordt nog niet uitgeschreven, dus wat juist het nut is….). Er staan nergens bordjes en we rijden dus rustig verder langs een gebouw dat volgens ons op instorten staat en waar nog een scheef plakaat “tax free” hangt, door een poort waar niemand te zien is, door nog een tolhuisje waar enkel vogeltjes wonen en komen zo voor een hekken te staan met aan de andere kant Iraanse militairen.

Hier is het tolhuisje wel bemand door een vriendelijke kerel. Helaas, we zijn al te ver en moeten terugkeren naar de bouwval die we al gepasseerd waren want daar moeten onze paspoorten afgestempeld worden. Na een beetje zoeken vinden we toch een duister hokje waaruit metal klinkt. De douanier verschiet als hij ons ziet maar stempelt vlot onze paspoorten en dan kunnen we verder lopen. Helaas is er van hier geen weg meer terug naar onze kamion, enkel vooruit naar Iran. We keren dus terug naar de douanier en leggen hem het probleem uit maar eigenlijk mogen we niet terug. Na lang aandringen mag ik terug naar de kamion maar Fietje moet doorlopen naar Iran. Gelukkig (zie verder) houden we voet bij stuk en mogen we toch allebei terug Turkije binnen, eigenlijk zonder visum, om naar ons wagentje te gaan.

‘En route’ naar de Iraanse grens en naar de vriendelijke man die onze auto nog moet uitschrijven. Hij babbelt honderduit (het hekken aan de Iraanse kant is toch gesloten dus we kunnen toch niet door) en als de Iraanse militairen aanstalten maken om het hekken te openen begint hij onze papieren eindelijk in orde te brengen. Dan vertrekt zijn gezicht en beteuterd zegt hij dat de computer beslist heeft dat wij vandaag de gelukkigen zijn die een extra x-ray controle moeten ondergaan. En waar is die controle? Inderdaad, daar waar die lange rij vrachtwagens staat. En hoe geraken we aan de x-ray? Gewoon, je rijdt helemaal terug naar de eerste controle en daar moet je het maar eens vragen. Gelukkig weten de vrachtwagenchauffeurs al wat het betekent als er daar een niet TIR kamion rijdt en wijzen ons zelfs zonder vragen de weg.

Voor de x-ray staat opnieuw een rij vrachtwagens die wachten en we steken die gewoon voorbij en doen of onze neus bloedt. Aan het einde van de rij gekomen vragen we onschuldig of dit de x-ray is. De chauffeurs snappen het plaatje en laten ons na een paar grapjes gewoon iedereen voorbijsteken. Er komt echter geen schot in de zaak en als we vragen wat het probleem is blijkt dat iedereen gaan eten is en dat dit hier nog een uurtje zal duren. We zijn eigenlijk nog in een goede stemming en maken wat grapje met de chauffeurs en wachten geduldig tot er iemand komt.

geduldig wachtend op de x-ray bij de grote jongens

We mogen als eerste de x-ray tunnel in en na een paar minuten krijgen we alle papieren terug en kunnen we opnieuw een poging doen om Turkije buiten te geraken. Er is maar één weg van de x-ray naar Iran en dat is toevallig dezelfde die genomen wordt door vrachtwagens die Turkije binnen willen. Plots staan we weer stil want de weg wordt door een drietal vrachtwagen geblokkeerd. We proberen te weten te komen wat er aan de hand is maar niemand blijkt ons te verstaan. Om beurten gaan we op zoek naar iemand die iets kan vertellen en tot onze grote opluchting verstaan we dat die vrachtwagens hier niet staan om te slapen (deze op het eerste rijvak wel) maar dat ze wachten om gecontroleerd te worden door de douaniers die, jawel, gaan eten zijn. Ze zijn zeker tegen 20:00 terug verzekert ons een chauffeur. Tegen 21:30 verschijnt de eerste douanier. Dan nog één en nog één. Ze verstaan niet wat wij hier staan te doen en als ze snappen dat de wagens voor ons het probleem zijn zetten ze er een beetje spoed achter en kunnen we opnieuw naar de Iraans grens.

Onderweg komen we het mannetje tegen die onze auto moet uitschrijven. Hij doet teken hem te volgen en scheurt er dan vandoor met een rotvaart de wij nooit kunnen volgen. Nu moet alles plots rap gaan. Hij brengt de papieren in orde, verontschuldigt zich nog eens voor de 4 uur vertraging en zorgt er dan voor dat de Iraans grenswachters ons binnen laten.

Nu zijn we uit Turkije, het is ondertussen 22:30. Stel dat Fietje bij de eerste controle was doorgelopen naar de Iraanse grens, je mag het niet dromen….

Een jonge militair komt naar ons toe, groet ons vriendelijk en vraagt dan onze koffer te openen. Ik moet uitleggen wat dit zootje allemaal bevat, maar het enige wat hij vraagt is : “Alcohol”. Mijn antwoord klinkt verontwaardigd : “Of course not, sir”. Dat blijkt voor hem voldoende overtuigend en wil nu ook de binnenkant zien. Fietje krijgt een beroerte als hij met zijn vuile legerbottines onze kraaknette woning binnenstapt. Ze krijgt het koud als hij net te lang blijft kijken naar het “geheime luikje”, maar uiteindelijk blijkt alles ok.

We mogen naar de volgende stap, maar ook hier nul, nul aanwijzingen. We stappen de eerste deur binnen die we zien en een man in uniform achter een balie verwijst ons vriendelijk door naar de chef die in de grote kale ruimte een beetje verder aan een éénzaam bureau zit. Als we onze papieren geven blijven we weerom verkeerd te zitten. De sous-chef neemt ons mee en opnieuw mogen we de rij wachtenden voorbijsteken en in twee seconden zijn onze paspoorten gestempeld.

Dan opnieuw naar de chef met onze ‘carnet de passage en douane’. Hij bekijkt onze autopapieren, zet een deel krabbels in onze carnet en geeft die dan aan de sous-chef die onze wagen komt controleren. Merk en serienummer worden gecheckt, koffer moet opnieuw open en ook hij wilt de binnenkant zien. In tegenstelling tot de militair blijft hij met zijn vuile voeten buiten staan. Opnieuw naar binnen, nu zet de sous-chef een paar krullen op onze carnet en moeten we naar de balie met de douanier. Hij neemt als zijn tijd om alles nogmaals in te vullen. Ongemerkt zijn we ondertussen omringd door een paar mannen die blijkbaar goed opschieten met de douanier. Eén van hen duwt me plots een gsm in de handen : “It’s for you”. Een stem aan de andere kant van de lijn probeert me te overtuigen om geld te wisselen. Ik probeer van die “touts” af te komen maar zijn net als bijen rond een honingpot. Als de douanier eindelijk klaar is en zijn stukje heeft afgescheurd moeten we nogmaals naar de sous-chef. Hij krabbelt nog een laatste vodje vol en heet ons dan welkom in Iran.

We zijn gelukkig, we zijn de grens zonder kleerscheuren doorgekomen. Dachten we…

Als we willen wegrijden komt de volgende horde “touts” aangesneld. Ik negeer ze straal en vertrek. Dan beginnen ze te roepen dat ik nog iets vergeten ben. Onze koffer staat nog open. Nieuwe poging, maar deze maal laten ze me niet instappen. Komt er nog een mannetje met een verhaal over iets dat nog moet gebeuren. Ik wordt achterdochtig maar ga toch maar mee naar een kantoortje, gevolgd door een stel van die “touts”. Eénmaal in het kantoortje begin ik me kwaad te maken tegen die strontvliegen, de meeste druipen af maar eentje moet ik toch manueel dat kantoor uitzetten. Het mannetje in het kantoor kan me niet uitleggen wat ik hier doe maar vraagt opnieuw mijn paspoort en mijn autopapieren. Hij geraakt er niet aan uit en loopt plots naar buiten met mijn paspoort. Ikke er achteraan, gevolgd door die zwerm paljassen die voor de deur stonden te wachten om ons een verzekering te verkopen of om geld te wisselen. Uiteindelijk komt er een kerel mee naar het kantoor en nu jaagt hij alleman buiten. Ze proberen met twee iets in te vullen op hun computer maar het spel weigert de combinatie ‘kamion’ en ‘toerist’ te accepteren. Ik moet een route beschrijving geven van waar we heen zullen gaan. En na veel heen en weer getelefoneer en corrigeren op de computer spuugt de printer uiteindelijk nog een laatste document uit. Geen idee wat dit is en het ziet er wreed officieel uit. Nu mogen we eindelijk weg.

Ik ben nog het kantoor niet uit of die lastigaard is daar weeral gezet en beveelt mij hem te volgen voor een verzekering. Ik zeg hem beleefd en met een smile wat ik van hem denk (gelukkig is zijn West-Vlaams even goed als mijn Farsi), stap in de kamion, start en rij ostentatief het éénrichtingsverkeer in nadat hij met zijn taxi de andere kant op gereden is.ok

Fietje en ik zijn moe, het is ondertussen als na middernacht en we hebben nog niets gegeten. Een beetje verder zien we een paar vrachtwagens langs de kant van de weg. We zetten ons ertussen en maken ons klaar voor de nacht. Jammer maar helaas, de vrachtwagens vertrekken één voor één en we staan daar plots moederziel alleen langs een donkere baan. Misschien geen goed idee. Opnieuw schoenen aan en we besluiten wat verder een plaatsje te zoeken. Blijkt wat verderop dat we eigenlijk nog steeds de grens niet volledig zijn overgestoken. Opnieuw staan we voor een hekken, ik volg gewoon de eerste de beste wagen door het hekken maar wordt onmiddellijk tegengehouden. We zijn nog een controle vergeten en moeten een klein stukje terug langs waar de grote vrachtwagens rijden. Het eerste wat men daar vraagt is “verzekering?”. Damned, deze hebben we nog niet en normaal kun je die ook verder in Iran kopen, geldt blijkbaar niet voor kamions en zo hebben ze ons ingeschreven in Iran. Hij verwijst ons naar het kantoor waar we verzekeringen kunnen kopen en dat is natuurlijk zo laat al gesloten. We worden doorverwezen naar een gebouw een kilometer verderop. Daar is het een drukte van jewelste en achter de loketten wordt vlijtig gewerkt maar van een verzekeringskantoor heeft niemand hier ooit gehoord. “Verder meneer, een kilometertje verder”. Nu is het welletjes geweest. We laten onze vrachtwagen mooi op de parking voor het gebouw staan en gaan slapen terwijl we nog steeds de grenspost niet verlaten hebben, dat doen we morgen dan wel.

Out of Europe

Alexandropoulos ligt maar een boogscheut van Turkije dus dat is vlug geklonken. Voor het eerst na Zwitserland verlaten we de Europese Unie en komen we dus een echte grens tegen. We zetten ons mooi voor het bordje met een campertje op maar worden vriendelijk verzocht gewoon uit te stappen ons smoeltje eens te komen tonen samen met onze paspoorten en dan komen we in het niemandsland tussen de EU en Turkije. Als we daar een pompstation passeren valt mijn oog eigenlijk net te laat op de prijs van de diesel : 0,9 euro per liter, zot genoeg om een u-bocht te maken op de snelweg en toch naar het pompstation te rijden. Jammer maar helaas, ze willen ons geen diesel verkopen, enkel TIR mannen krijgen er. Ook Fietje’s tocht naar de taxfree shop ernaast loopt met een sisser af, enkel zeer grote verpakkingen te krijgen. Er zit niets anders op dan verder te rijden naar Turkije.

De grensovergang met Turkije is een ander paar mouwen, daar is het een chaos van jewelste. Eerst denken we er nog dat we zomaar door zullen kunnen als een vriendelijke douanier ons verzoekt om door te rijden en ons een beetje verder te parkeren. Mis poes, we moeten ons gewoon wat verder zetten zodat hij op zijn gemak ons autootje kan controleren. Ongewild nors (veronderstel ik, daarnet was hij de vriendelijkheid zelve) moet ik ieder bakje met of zonder een slotje openen, iedere deur openen en moet ik ook binnen kalm ondergaan hoe hij wijzend naar het volgende kastje “open” snauwt. Ik moet één van de boxen uit de koffer openen en het enige wat daar in zit zijn een “Lamsac” en nog een andere opblaasbare zetel. Als ik probeer uit te leggen wat dit is, blijft hij me vragend aankijken maar geeft het uiteindelijk op, teleurgesteld dat we niet zoals de voorgaande overlander een moto bij hebben, ik zie hem denken : “amateurs”.

Nog wat stempels in ons paspoort voor ons visum en ééntje voor de auto en we mogen proberen verder te rijden. Geen idee wat hier aan de hand is maar van alle kanten komen er tientonners aangereden die elkaars en ook onze weg blokkeren. Na wat heen en weer geroep komt er toch beweging in en kunnen we na een laatste controle Turkije binnen.

We zetten koers naar Gallipoli om daar de ferry over de Hellespont (voor zij die de Ilias niet gelezen hebben, ook wel de Dardanellen genoemd) te nemen als ik plots besef dat het vandaag 25 april is, ANZAC-day en dat is een mega evenement waarbij de Australiërs en Nieuw-Zeelanders de megaslachting bij een mislukte landing in Gallipoli in de eerste wereldoorlog herdenken. Eerst spelen we even met het idee om een kijkje te gaan nemen maar later vernemen we dat je zelfs de stad niet binnenkomt als niet al maanden op voorhand geregistreerd bent. We volgen gewoon de bordjes naar de ferry en komen opnieuw in een Turkse chaos terecht waar er meerdere boten naast één liggen en degene die de ene boot verlaten verhinderen dat de anderen kunnen inschepen. We hebben nog geen Turkse Lira’s en kunnen niet met een kaart betalen en één van de souvenir verkopers probeert ons ervan te overtuigen dat 6 Lira evenveel is als 20 euro (in werkelijkheid in 1 lira gelijk aan 0,2 euro). We trappen niet in die val en besluiten tegen de stroom in de rij te verlaten en eerst geld te gaan zoeken.

Als we terugkeren moeten we plots in een andere rij gaan staan voor een andere, duurdere boot, maar voor 80 lira kunnen we niet zelf overzwemmen. Na een korte tocht op een boot tjokvol Chinese toeristen komen we aan in Azië. Fietje droomt al de helft van haar leven van de veldslagen in Troje dus er is geen ontkomen aan. De laatste dagen heeft ze zich beziggehouden met het schrijven van een alternatieve Ilias en Bibi zal zichzelf mogen opofferen om een deel van de rollen te spelen, dat belooft. Via verschillende bronnen hebben we gehoord dat er zeer dicht bij de archeologische site een camping zou zijn met alles erop en eraan. We zien inderdaad een bordje van camping maar zien enkel een restaurantje en geen inrit voor de camping. We zoeken verder maar moeten toch op onze stappen terugkeren en gaan in het restaurantje vragen waar de camping is. Blijkt de tuin naast het restaurantje de camping te zijn. Fietje begint vol ongeloof te lachen maar dit wordt onze slaapplaats deze nacht.

Zicht op de volledige camping

 

Fietje kan niet geloven dat er niet meer is dan dit, maar Troje is zo’n hit-and-run attractie, ’s morgens komen de bussen toe en ’s avonds is iedereen naar huis, behalve wij twee. We fietsen eens tot de ingang van de site en door het dorpje waar ook geen vel te beleven valt, we zijn echt de enige zotten die hier blijven slapen. We eten in het restaurantje en de eigenaar, die ook gids, is vertelt ons eigenlijk alles wat we ’s anderdaags op de bordjes zouden kunnen lezen.

Het bruisende nachtleven van Troje

De volgende dag zijn we echt vroeg uit de veren. Fietje moet nog verder werken aan de blog, haar scenario voor de Ilias (want het moet allemaal echt in Troje gefilmd worden) en ik wil zeker de olie in onze portaal assen nog eens checken want we zijn ondertussen weeral 1000 km verder sinds dat nog eens gebeurd is. Rond 8:00 zien we de eerste bussen toekomen en springen we op de fiets naar Troje in de hoop de grote meute voor te zijn.

Er staat veel meer recht in Troje dan we verwacht hadden en gelukkig is er nog niet teveel volk als we de alternatieve Ilias beginnen te verfilmen. Echt groot is Troje niet en tegen de middag zijn we dan ook terug op onze micro camping. De was die we gisteren nog hebben gedaan is ondertussen droog, we wassen de ramen van ons autootje (hebben we nog niet gedaan sinds we vertrokken zijn maar de staalkaart van Europese platte insecten begint langzaam maar zeker het zicht een beetje te belemmeren) en vullen onze watertank. We zijn klaar voor een korte rit die blijkt door de bergen te lopen en uiteindelijk langer duurt dan verwacht. Onderweg beseffen we dat het morgen vrijdag is en de winkels wel eens zouden kunnen gesloten zijn. Na inkopen gedaan te hebben is het langzaam tijd om een slaping te zoeken. We hebben ons eigenlijk een beetje mispakt aan de grootte van dit stadje, blijkt de ganse kust hier volgebouwd, kilometers aan een stuk. We rijden op goed geluk een straat in die lijkt uit te komen op een geïmproviseerde parking net voor de zeedijk. Dit ziet er prima uit en we gaan een kijkje nemen naar het strand. Net als ik een Turkse familie die aan het bbq-en is een smakelijk eten wil wensen worden mij twee boterhammen met köfta in de hand geduwd en voor we het weten zitten bij hen aan tafel. Zij praten honderduit in het Turks tegen ons, wij antwoorden gewoon in het Oostends, we verstaan elkaar voor geen meter maar het is wel gezellig.

Moeten we dat bed echt maken vannacht?

Tute va bene

Oh bella Italia! Vanavond hebben we de rem aangetrokken in Torgiano, een gehucht op 12 km van Perugia, Umbrië. Geflankeerd door wijnvelden en  in de verte zicht op Perugia is dit een leuke staanplaats. Beetje jammer van die Nederlandse vrouwe die blijkbaar behoefte had om hun ‘fantastiesje vecansjie’ in Italië tot in de kleinste details uit de doeken te doen, samen met het relaas van de hartproblemen van haar man (ik kan begrijpen van waar die hartkwaal komt…).

Torgiano

Effe rewinden:

Na onze ‘luxe overnachting in F1hotel in Pontarlier en een ontbijt bij boulangerie Marie Blachère  , ging Arnootje poolshoogte nemen bij Mr. Pipo. Die was in zijn nopjes! Hij maakte zelfs grapjes…en het goede nieuws was dat onze tutuut zijn operatie met glans had doorstaan en deze late namiddag ontslagen zou worden uit garage Cassini-Dubois.  Driemaal oef. Uitchecken dus uit dat slaaphol in de industriezone en snel de Auberge de Jeunesse, waar we provisoir al een optie hadden genomen voor de volgende nachten, gaan annuleren. Lunchen in Le grand café Francais in de Rue Principale waar je een dagschotel eet aan 8,80 euro. Een prikje, het mooie art-nouveaukader in acht genomen.

unimog bij Cassini Dubois

Om 16U eindelijk gefietst naar de garage, betaald, boodschappen in de Casino en schampavie waren we, naar Zwitserland, zo’n 15 km van Pontarlier. Toen een norse douanier aan Arno vroeg “Combien elle pèse?”, wou ik antwoorden: “je pèse 58 kilo, monsieur”. Maar Arno kon me net de mond snoeren. Tja, ‘Zwitsers en humor’ gaan net zo goed samen als ‘Unimog en zorgeloos rijplezier’… We moeten aan de grens dus een belasting voor poids lourds betalen, wat verplicht is voor alle voertuigen boven de 3,5ton en dan vroemen we naar het meer van Genève.

meer van Geneve

We rijden langs Lausanne als het begint te schemeren en besluiten rond  Montreux een slaapplaats te zoeken. Hetgeen geen evidentie blijkt te zijn, duidelijk dat ze hier alle campers proberen te weren uit hun oeverbeeld. Uiteindelijk plaatsen we ons clandestien op de parking van een nogal exquise school (gymnase) tegen de bergflank. En dan nog wel op de parkeerplaats van Madame la directrice, zo staat op de grond geschreven. (Misschien een idee voor de parking in Wingene?)

Montreux gymnase

De dag er op, toen er studenten aankwamen, en jawel Madame la directrice ons met priemende ogen van haar plaats weg bliksemde, zijn we vertrokken met gierende banden (allé bij wijze van spreken). De rit  door het Zwitsers gebergte verliep zorgeloos, mede dankzij het mooie weer en autostrades die aanvoelen als tapijten. Al na enkele uren glipten we, via de tunnel GD Saint Bernard, Italië binnen.

Zwitserland

En dan is er die ooh zo lieftallige Aosta vallei. Geflankeerd door majestueuze bergen rijden we de vallei door. Na veel waauwen en ohlalaën besluiten we in deze sprookjesvallei een nestje te zoeken. En die vinden we in Verès waar we de bergflank oprijden tot aan de Castello de Verres. Het zicht is er adembenemend. We bezoeken het kasteel, nieuwsgierige Italianen bezoeken onze Unimog (wat wel meerdere keren gebeurt in Italië), en ik maak een pasta al ragu klaar. Neen, niet Bolognese! Al ragu!!

Castillo Verres

Castillo Verres

De dag er op besluiten we last minute om toch niet naar Genua te gaan. Er zijn geen camperplaatsen beschikbaar in de stad, de campings zijn te ver van het centrum en bovendien peperduur. Jammer, had ik  graag gezien, maar dat wordt dan later een citytrip (Pascale, na Bilbao, Oslo, Madrid en Riga, wat denk je?).

In plaats daarvan richtten we onze neus richting Perugia. Dé stad waar Enrico (Zeezot) vandaan komt en waar hij, tijdens de jaren die ik voor hem werkte, vol passie en lof sprak over de schoonheid van deze Provinciehoofdstad in Umbrië. Dus ik was benieuwd….

We snorren boven Turijn, onder Milaan, via Vercelli, en Allesandria naar Piacenza en dan naar beneden, Parma, en overnachting in Modena. We vinden er een camperplaats: de caravan club van Modena. Mens, mens, wat was me dat! Er stonden 700 campers op een afgesloten stuk weiland waarvan het merendeel daar wellicht stond als winteropslag. we kregen er een mooi plaatsje, met electiciteit en twee jetons ‘per 40 liter de aqua caldo’. Speed-douchen dus.

De dag erop gaan we eerst winkelen in de plaatselijke supermarkt. Een echt voedingsparadijs waar je alom verleid wordt om heerlijke streekproducten in je karretje te gooien of als die al vol is,  onder je jas weg te moffelen. We kopen er natuurlijk te veel maar zeker ook  dé Balsamico de Modena.

picknick

En dan: over Bologna richting Rimini, afslaan aan Cesena en verder Zuidwaarts naar Perugia. Onderweg slaan we even af voor een blitzbezoek aan Parco Nazionale delle Foreste Casentinesi. Ik krijg Arno zover om ‘een baantje naar boven’ te nemen. 45 minuten later was Arno anderhalve kg vermagerd maar het zicht was er prachtig. Allé toch voor effekes want net toen we onze Italiaanse lekkernijen op het picknicktafeltje hadden uitgezet, stak er een hagel onweer op. Dus weer naar beneden. Arno krijgt er nog een atletisch lichaam van, hmm. Foto’s volgen later.