Tagarchief: Oezbekistan

tijd voor wat frisse berglucht

Tijd om afscheid te nemen van Samarkand en van Oezbekistan, op naar nieuwe uitdagingen. We gaan opnieuw de bergen in. Iedere overlander die we spreken heeft zo een beetje hetzelfde gevoel : ‘het is wel geweest met de woestijn, nu is het tijd voor wat frisse berglucht’. We bergen onze zandsletskes op en trekken onze bergbottinnekes aan.

Voor we naar de grens rijden (nog geen 50 km, volgens iedere GPS die we proberen en ieder programma waarmee we een route willen berekenen is er gewoon geen weg naar de grens, strange… ) wilt Fietje toch nog het beeld van Timur gaan bezien. Timur is één van die zotten in het rijtje met een eigendunk waar Trump nog een puntje kan aan zuigen.

De grensovergang is een fluitje van een cent, voor we het weten zijn we weg uit Oezbekistan en al even vlug zijn we binnen in Tadzjikistan (na het betalen van de nodige taxen natuurlijk ). Aan beide zijden zijn de beambten zeer vriendelijk en behulpzaam en de meesten spreken warempel een beetje Engels.

En dan een droom, een weg zonder pitten en bulten, gewoon asfalt waar je niet moet slalommen, waar je gewoon rechts kunt blijven rijden en volle bak kan gaan  (al is volle bak met een Unimog nog niet om over naar huis te schrijven ;-). Van het moment dat we Samarkand hebben verlaten is de weg constant blijven stijgen. Het duurt dan ook niet lang of we zitten in de eerste bergjes. Het is er helaas niet echt veel frisser. De bergjes worden al vlug bergen en voor we het weten rijden we door kilometers lange, slecht of niet verlichte tunnels, maar we kunnen tenminste doorrijden.

Dan wacht ons een verrassing. Blijkbaar is deze weg een tolweg en tol moet betaald worden in sumoni, het is in Tadzjikistan ten strengste verboden met iets anders te betalen. Ook geld wisselen mag enkel en alleen in een bank, blijkbaar staan op beide misdrijven redelijke straffen horen we later. We hebben nog geen geld gewisseld, ik zou niet geweten hebben waar. Ik heb wat sumoni kunnen kopen van een paar trekkers die hun plannen hadden gewijzigd en dat geld dus niet konden gebruiken. Volgens mij hebben we niet genoeg om de tol te betalen. Er ontspint zich een discussie van jewelste, niemand verstaat de ander. Zij denken dat we niet zoveel willen betalen en verstaan niet dat we gewoon dat geld niet hebben omdat we net van Oezbekistan komen. Ik bega de fout om te proberen in dollars te betalen, de discussie verhit en het mannetje aan het loket sluit zijn raam zelfs. Er is er toch ene bij die zaken ruikt en onze dollars wel wil wisselen, maar dan moeten we eerst achteruit rijden tot we uit het zicht van de camera’s zijn. Blijkt zijn koers een beetje aan de lage kant te zijn en terwijl ik mijn dollars opnieuw wegsteek zie ik dat we met gemak genoeg sumoni hebben om de tol te betalen.

Met beschaamde kaken keren we terug naar het loket, betalen braaf en rijden vlug door. Een beetje verder is het weeral van datte, we proberen in een lagere categorie te geraken om minder te betalen maar het lieve kind houdt voet bij stuk en dokken zullen we. Niets aan te doen.

Eindbestemming voor vandaag is Dusjanbe, hoofdstad van Tadzjikistan. We hebben daar een afspraak met Master Anar die onze wagen een onderhoudsbeurt zou geven voor we vertrekken naar de Pamir. Dusjanbe is gloeiend warm en de nieuwe burgemeester heeft besloten dat het dringend tijd is om een paar nieuwe lanen aan te leggen en dat dat vooral allemaal op hetzelfde moment moet gebeuren. Resultaat is dat de stad in stukken is gesneden door kilometers langer bouwwerven en dat het verkeer via allerlei sluipweggetjes maar moet proberen aan de andere kant te geraken. Onze GPS-en zijn niet akkoord maar gelukkig weet GPS Fietje via zo’n sluipweggetje toch de plaats van de afspraak te vinden.

Het is ondertussen toch al redelijk laat en er zal vandaag wel niets meer gebeuren maar ik ga toch op zoek naar Master Anar zijn doening. Als ik door het metalen hekken loop waarachter ik de shop vermoed wordt ik van bovenaf aangesproken. Zit er daar een soort bewaker in een oude bus die ze op een stelling hebben gezet. Hij overziet het binnenplein waar allemaal verschillende garages en werkplaatsen zijn en waar in het midden een voetbalveld ligt omgeven door een metershoog hekken.

De bewaker laat me weten dat Master Anar er niet is en zijn shop dicht is. Ik ga toch eens loeren, blijkt het een deftige garage te zijn (vergeleken met al de rest ) maar potdicht. Dit is een beetje vervelend want we hadden gehoopt voor de garage te kunnen slapen. Als ik terug naar buiten loop hoor ik opnieuw de stem van boven, hij wijst op een wagen die net binnen rijdt, Master Anar komt net met zijn familie het terrein opgereden. Hij heeft onmiddellijk door wie ik ben stopt. Al vlug krijg ik te horen dat we eigenlijk op een slecht moment komen en er voor maandag (het is nu vrijdag) nergens gewerkt wordt (ik had al zoiets gehoord van de douane beambte die onze auto moest inschrijven ), het is namelijk een verlengd weekend omwille van het einde van de Ramadan. Als hij mijn ontgoocheling ziet en snapt dat we geen drie dagen hier willen blijven belooft hij om alles in het werk te stellen om zoveel mogelijk werk toch de volgende dag te laten doen.

We mogen onze Mog het terrein oprijden en parkeren voor zijn shop, naast het voetbal terrein waar ondertussen een eindeloze match is begonnen.
Anar spreekt Duits, Russisch en een klein beetje Engels, zijn vrouw daarentegen spreekt vloeiend Engels (en Duits en Russisch ) net als hun dochter. Uiteindelijk hebben we nog een gezellige babbel met haar terwijl Anar het nodige probeert te doen om morgen wat werk gedaan te krijgen.

Slapen zullen we vandaag niet meer, daar zorgen de onvermoeibare voetballers wel voor.

Laatste dag Uzbekistan…

Ok, na wat discussie, want die hebben we soms (maar zelden) op onze reis, is Arno toch akkoord om hier in Samarkand nog een extra dag te vertoeven en dus niet te rushen naar Tadjikistan voor (ocharme) Mogje zijn onderhoudsbeurt.

Op die manier kunnen we nog op het gemak de mausolea bezoeken, drie keer douchen per dag, boodschappen doen en vooral de blog bijwerken.

Oezbeekse schoonheid…

We nemen afscheid van een aantal oud bekenden die per fiets of per auto de oversteek vandaag zullen maken. Goodbye, good luck, see you later on the road…

We stappen naar  het Shah-I-Zinda (graftombe van de levende koning), waar we na een ingangsticket de toegang krijgen tot een boulevard met de fijnst bewerkte mausolea ter wereld. Hier zou ook de graftombe zijn van de neef van de profeet Mohammed, ene Qusam Ihn-Abbas,je weet wel. wie ik bedoel é…

We nemen vaak plaats op een bankje in de schaduw om de meesterwerken van gesculpteerde en geglazuurde tegeltjes tot in de detail te bewonderen.

Daarna gaan we naar de overdekte bazaar waar het aangenaam vertoeven is en waar we ons tegoed doen aan allerlei lekkernijen, te koop aangeboden door goedlachse verkopers. Kruiden voor het thuisfront, slaatjes,  versgebakken samsas, kaas en worst en heerlijk zoete kersen.

Terug in ons hotelletje bergen we alles netjes op, doe ik nog een handwasje en wordt de rest van de tijd besteed aan dit: het updaten van de blog om jullie lievelingen op de hoogte te houden van ons mooie avontuur. Hopelijk genieten jullie ervan en geeft het lezen ervan toch een beetje het gevoel dat jullie erbij zijn.

Morgen Tadzjikistan  (ons 9de land buiten België), en eventjes dat woestijn-crossen on hold zetten.

Oezbekistan was  een immens aangename ervaring : vriendelijke en open mensen, de steden Khiva, Bukhara en Samarkand zijn de mooiste ooit gezien, en zoals eerder aangegeven heeft ook zijn binnenland met bergen , meren en  offroadbaantjes om  van te kwijlen, heel wat te bieden. Hier zijn ze voorzien op toeristen en ok, dit maakt het misschien iets duurder maar wel stukken gemakkelijker. We hoorden van velen dat het openbaar vervoer ook zeer correct is. Ideaal land voor een short stay vakantie, maar dan best in maart, april of mei om de hitte te ontwijken.

Jammer dat het land en dan vooral zijn leider het niet zo nauw neemt met mensenrechten. Slavernij is in Oezbekistan een feit waarbij iedereen, ook kleine kinderen, verplicht worden op de katoenplantages te werken onder het wakend oog van een ‘toeziender’of andere klussen uit te voeren onder de eufemistische noemer van ‘verplichte gemeenschapsdienst’.

‘Verplichte’ gemeenschapsdienst

 

Samarkand zien en sterven

’s Morgens aan het meer profiteren we van al dat water om onze zonnepanelen eens te wassen (@Freddy,:bedankt voor de tip) en de binnen nog eens met nat te doen terwijl Arno nog enkele kleine reparaties uitvoert.

We rijden terug richting Samarkand maar nemen de weg langs de bergen in plaats van de autosnelweg, die hier de E40 heet en waarbij je de ‘snel’ gerust mag weglaten uit het woord.

Arno begint zijn vingers op te eten…en dat betekent dat hij zich zorgen maakt. Er ‘ruttelt’ inderdaad iets (niet ikke deze keer) aan de Mog en Arno wilt asap ons kind binnen doen voor nazicht samen met oliewissel en zo.  Onderwijl vroem ik vrolijk langs het uitgestrekte landschap dat hier gedomineerd wordt door heuvels, rotsachtige bergen en natuurlijk woestijnvelden.  De weg is echt wondermooi en laat blijken dat een bezoek aan Uzbekistan veel meer in petto heeft dan enkel zijn alom bekende cultuursteden.

Binnenland Uzbekistan

We arriveren in de vroege namiddag in Samarkand en nemen een B&B.  Enerzijds om ons nog eens te laten registreren maar vooral om eens deftig te douchen (mijn haar is zowaar getransformeerd in een plak karton) en om bij te bloggen. Hier ontmoeten we opnieuw Jeroen, de flinke Nederlandse fietser en de Zwitserse broers uit Bukhara. Het hotelletje heeft een gezellig binnenpleintje waar je onder de abrikozenbomen en met een kopje thee, gezellig kan bijkletsen met andere routards.

Na een lange douche gaan we het zeer nabij gelegen Registan (plein in het zand) bezoeken en oh mens, als je dacht dat Khiva en Bukhara al je adem doen stokken, dan val je hier werkelijk omver bij het aanschouwen van dit glorieuze plein waarbij de Madressa’s zo hoog en imposant zijn dat ze de lucht lijken te kussen!

Princes voor haar paleis
Het beeld van op onze blog, maar nu in het echt!

Er loopt weinig volk,  maar daarentegen wel wat politieagenten (zien er in Uzbekistan uit als ‘les gendarmes de Saint Tropez ‘maar dan in het groen) die fluitend en van ver gesticulerend, iedere toerist aanmanen een ticketje te kopen. En zo zeggen ze je: als je hen wat smeergeld betaalt, mag je het plein ook na 20u betreden, hmmmm. Door hun gewaggel en hun kepie scheef op het hoofd had ik sterk de indruk dat ze dronken waren….

Les gendarmes de Samarkand

We kopen braaf ons ticketje, betalen als goede burgers geen smeergeld en bezoeken de gebouwen ook binnenin. In afwachting van de zonsondergang gaan we op het nabije terrasje iets drinken en wie komt daar vrolijk afgewandeld? Onze Gentse sjoekes, die ons opnieuw vergezellen. Tja, we beginnen zeer gehecht te worden aan hen. Als de lichten om 20U aanflippen en het hele plein in een betoverend en feeëriek licht dompelen, begrijpen we de zin uit onze gids: No name is so evocative of the Silk Road as Samarkand.

Van op de trappen voor het lege plein genieten we nog lange tijd van dit sprookjesachtig beeld.

Registan

We gaan dichtbij iets eten en lopen nadien nog eens langs Registan om ons naar bed te begeven waar we ons in slaap zweten aangezien de airco geen goei modelleke lijkt te zijn…

Even een ommetje

We verlaten Bukhara en in plaats van door te rijden naar Samarkand, nemen we iets noordelijker de route richting Kazachtse grens. Nurota, daar zijn er bergen en in de gids wordt veel geschreven over het groeiend ecotoerisme aldaar.

Onderweg water bijtanken aan de lokale bron

En ja hoor, er zijn bergen, hele mooie zelf, maar je kan er niet in met de wagen en dus rij je rond het gesteente heen…in de woestijn mét föhnwind. Het stadje Nurota sprak ons niet echt aan en reikhalzend naar iets van verfrissing rijden we verder noordwaarts naar het uitgestrekte Aidarkull meer.

 

 

 

Kiekeboe

 

Even halt voor de picknick

Na nog eens 50 km door de woestijn doemt plots de immense watermassa op die zich, zover je kan zien, uitstrekt als een blauw deken in de gele woestijn. We nemen een offroad-baantje en parkeren ons Mogje aan de oevers van het meer .  We zijn er helemaal alleen, geen huizen, geen banen, geen mensen in km’s ver te zien. En ja, we nemen een duik in het brakke lauwe water en omringd door menig reiger genieten we drijvend van dit verlaten ongerept stukje natuurwonder. Bij het vallen van de avond, als de wind is gaan liggen en het meer is omgetoverd tot een gladde en rimpelloze spiegel, schertsen we over hoe de modale Vlaming al snel deze  gronden zou opkopen, hotels en eettenten neerpoten, kajaks en pedalo’s verhuren,… Oh nee, laat het maar zo!

 

Bukhara (2)

Na een korte nachtrust (echt rustig was het niet op onze parking) vertrekken we om de stad verder te verkennen. Die bestaat voornamelijk uit madressa’s om U tegen te zeggen, een ommuurd fort en enkele mausolea in een park.  Er is weinig volk en later blijkt het hoogseizoen hier al voorbij te zijn, nu de hitte gestaag maar met rasse schreden zijn intrede doet in deze woestijnstad.

Temperaturen klimmen tot 40 graden in de schaduw, in de maanden juli en augustus klimt het tot 54 graden! We hebben ondertussen Mog verplaatst onder de bomen en Arno doet er een tukkie terwijl ik aan het plein de schaduw opzoek om er wat te lezen.

Daarna ga ik shoppen: zijden sjaaltjes, broodstempels en een kleedje, Uzbec-style en zo licht dat je het gevoel hebt in je nakie rond te lopen. Het shoppen gaat uiteraard gepaard met afdingen en marchanderen, I love it.  En niettegenstaande de verkoopsters zuchtend en armzwaaiend hun winstmarge zien verkleinen, betaal ik nog steeds teveel… Je moet hen nageven, het zijn gedreven commerçanten.

We lopen nog langs de lieftallige Char Minar, en van op het muurtje bewonderen met open mond haar pracht die schittert in de Bukharaanse avondzon.

Char minar ofte 4 minaretten

 

’s Avonds gaan we opnieuw Samsa’s eten en koude pinten drinken aan het Lyabi-Hauz plein (=plein rond het water) en daar zijn ons Gentse meiden opnieuw waarmee we opnieuw een gezellige avond doorbrengen.

Gelukkig wilden zij wel met mij poseren op de kameel…

 

 

Bukhara (1)

We ruimen ’s morgens ons Mogje een beetje op nu het nog niet te warm is en vertrekken dan naar Bukhara. Ondertussen hebben we iets meer als de helft van onze tank leeg gereden en het wordt dus tijd om langzaam naar een tankstation uit te kijken. Volgens iOverlander zou er ééntje moeten zijn binnen 160 km, dat moet met gemak lukken zonder reserves aan te spreken.

 

Romantisch samen aan de afwas

De 160 km lopen opnieuw dwars door de woestijn en de weg is nog steeds perfect. Er is helaas geen diesel voorhanden in het pompstation. Voor alle zekerheid giet ik toch al één bidon van onze reserve in de tank, hiermee alleen al geraken we in Bukharra, dus geen stress en er zijn daar een paar tankstations.

Als de weg opnieuw verslechtert beslissen we om in een wegrestaurantje (opnieuw in Mad Max style) iets te eten. Tot onze grote verbazing hebben ze achter hun doening wel een mooi zicht op een paar vijvers, het is er eigenlijk best goed zitten. Als Fietje in haar beste Russisch de menukaart vraagt fronst het brave kind haar wenkbrauwen. Menu? Er is geen menu, enkel (zeer lekkere) shashlik (met stukjes geroosterd vet…), met een slaatje en brood.

Nog voor we in Bukhara zijn vinden we nog een pompstation dat op geen enkele kaart staat en ze hebben waarlijk diesel. Vervelend is wel dat je telkens op voorhand moet zeggen hoeveel liter je zal tanken.

In Bukhara zetten we ons op een parking echt in het centrum van de oude stad, een gekend plaatsje bij de overlanders. Een paar uur later arriveert ook het Franse koppel uit Khiva er.
Het is er broeiend heet maar we zitten op een boogscheut van Lyabi Hauz, een oud waterreservoir (zoals er meerdere zijn in de stad) met er rond een resem terrasjes in de schaduw van de eeuwenoude moerbeibomen. Zalig.

Lyab Hauz plein

Als het ietsje koeler wordt (nog slechts 30 graden in de schaduw) verkennen we een beetje de stad. We zijn op het eerste gezicht een beetje teleurgesteld. Het lijkt of de stad gisteren is gebouwd, ze hebben zelfs de moeite niet gedaan om het er een beetje oud uit te laten zien. Op de daken hebben ze overal nepnesten met betonnen ooievaars gezet, een beetje een belachelijke herinnering aan de ooievaars die vertrokken zijn toen de Russen alle poelen hebben laten opdrogen. In de “bazaar” (eigenlijk allemaal toeristen souvenir shops, net als de madrassa’s en andere gebouwen) neust Fietje een beetje rond maar beslist wijselijk niets onmiddellijk te kopen, dat is voor morgen.

Als we tegen de avond nog een pintje gaan drinken aan het water voor we in onze Mog gaan eten, komen we opnieuw de twee Gentse meisjes tegen waar Fietje ’s middags al tegen had zitten babbelen. We nodigen ze uit om bij ons te komen zitten en het wordt eigenlijk een leuke avond waar ieder een beetje zijn ervaringen kan delen.

Als het al lang donker is besluiten we toch nog naar de Char Minar te gaan (deze staat op de voorpagina van de Lonely Planet gids). We hadden al gehoord dat het niet zo makkelijk vinden is en we bevinden ons al snel in helledonkere achterafsteegjes. Na wat zoeken vinden we uiteindelijk dat spel maar tot onze grote teleurstelling is het in tegenstelling tot de andere gebouwen niet verlicht. Er zit niet veel anders op dan terugkeren naar het plein en daar nog even te genieten van het flanerende volk.

Qizilkum Natural Reserve

We hebben echt genoten van Khiva maar nu is het tijd om verder te trekken. Volgende bestemming is Bukhara maar omdat we geen zin hebben om opnieuw een volledige dag te moeten rijden beslissen we om wat later te vertrekken en halverwege ergens te slapen. Fietje heeft op de landkaart een natuurpark ontdekt en hoewel we niet goed weten hoe er geraken zullen we het er toch op wagen.

 

Het eerste stuk van de weg is niet echt in een schitterende staat maar we hebben al ergers gezien de laatste dagen. Wat me veel meer zorgen baart zijn de bovenleidingen van de trolleybus. Deze hangen hier en daar gevaarlijk laag en ik heb geen zin om hier een vuurwerkje te maken. Probleem is dat die trolley blijkbaar tientallen kilometers onze weg volgt.

Eens we een beetje uit de steden zijn wordt de weg een echte snelweg. Geen putten en bulten, 2×2 rijvakken en een middenberm. Wat een verademing. Het zal voor de rest van de dag zo blijven tot we aan het natuurpark moeten inslaan. We rijden dus aan een goede snelheid door een dorre woestijn, niets te zien, geen vogel, geen kamelen, niets. We volgens nochtans min of meer de loop van de Amu Darya, gek dat een landschap zo droog kan zijn als daar zo veel water passeert.

Tegen de late namiddag vinden we de afslag naar het natuurpark Qizilkum Natural Reserve en naar het dorpje Qizilravot dat we op geen enkele GPS konden terugvinden. Er ligt waarempel asfalt dat in een redelijke staat is (de eerste kilometers toch, we worden minder en minder kieskeurig vrees ik). Na zo’n 15 km wordt de weg een ware ravage. Net of er hebben enorme mollen hopen van asfalt gemaakt. Omdat de Mog hoog op zijn poten staat kunnen we daar met gemak over rijden maar het blijft toch slalommen.

Ergens in ons achterhoofd begint er toch een klein waarschuwingslampje te branden. Hoe kan een weg naar een godvergeten dorp op de grens zo toegetakeld worden? Dit kan enkel door zeer zwaar vervoer. Maar wat heeft dat verloren in dat dorpje? Als ik heel in de verte ook nog twee zendmasten zie opdoemen beseffen we dat we waarschijnlijk op weg zijn naar een militair kamp. Als de we laatste heuvelrug overrijden is het van datte. De weg is versperd door betonnen gebouwen, een poort en een gewapende militair, kalaschnikov op borst.

We stoppen braaf aan het stopbordje en Fietje stapt uit met de kaart om te gaan vragen hoe we in dat natuurpark geraken. Prompt doet de militair haar teken dat ze moet blijven staan waar ze staat. Via zijn walkie talkie roept hij iemand anders op (waarschijnlijk zijn meerdere). Uit het betonnen gebouw komt een klein gespierd mannetje in spannend camouflage t-shirt en assorti cargo broek. Aan zijn riem geen geweren of pistolen maar enkel een mes was Crocodile Dundee jaloers op zou zijn.

Er volgt een dovemans gesprek tussen Fietje en de officier, deze kijkt aandachtig naar de kaart maar is zich van geen natuurpark bewust. Telkens als hij ‘da’ zegt, antwoordt de soldaat onmiddellijk met ‘njet’ en grijpt zijn wapen ietje beter vast. Het is hopeloos, de enige weg die er is loopt door het kamp en de soldaat blijft maar iets herhalen zoals ‘granitsa’ (later leren we van twee meisjes uit Gent dat dit ‘grens’ betekent.

Er zit echt niets anders op dan rechtsomkeer te maken en terug over de molshopen naar het begin van de weg te rijden. Gelukkig heeft Fietje daar in het begin al een track gespot, we rijden deze in en volgen ze tot we ver genoeg van alle wegen staan (niet dat er daar veel passage is….). Nu maar hopen dat ze vanavond geen manoeuvres gepland hebben…..

Als de zon ondergaat staat er een strakke wind en we blijven buiten tot het helemaal donker is. Wat een zonsondergang en wat een sterrenhemel. Tot nu toe hebben we telkens wolken gehad in de woestijn en dus nog niet veel kunnen genieten van de sterren maar deze maar krijgen we het complete pakket. Miljoenen sterren, een vage Melkweg en meerdere vallende sterren. Opnieuw beseffen we hoeveel geluk we hebben dat we dit kunnen doen en zien.

 

Khiva

We houden het voor gezien aan het opgedroogde meer, veel is hier toch niet te beleven. Om naar Khiva te gaan moeten we echter helemaal terug naar Nukus, daar kunnen we ondertussen diesel tanken (wat niet overal mogelijk blijkt te zijn, iedereen blijkt hier op methaan of propaan te rijden). Als we bijna in Nukus zijn komen we terecht in een verkeersopstopping. Eerst kunnen we niet goed zien wat aan de hand is, maar blijkbaar rijdt er een konvooi diepladers voor ons. Ze vervoeren ongeveer een volledige raffinaderij maar omdat ze zoveel wegen mogen ze maar één per één over bruggen en spoorwegen. De politie probeert het verkeer een beetje in toom te houden maar de kleine Damas minibusjes, die als taxi gebruikt worden, zijn niet te stuiten en kruipen overal tussen en voor. Nog even denken we een shortcut te kunnen nemen, wat wonderwel lukt maar we zijn letterlijk twee seconden te laat en de weg wordt voor onze neus afgesloten om het konvooi door te laten. Tanken doen we in een voorhistorisch tankstation. Ze vragen een zotte prijs (iets meer als 0,8 euro per liter) en kunnen gelukkig wat afdingen. Blijkt dat ze zelfs niet genoeg diesel in hun tank hebben om de onze half te vullen. Uiteindelijk slagen ze er toch nog in om een tweede ‘vat’ aan te sluiten en zo onze tank te vullen. Ik durf niet kijken naar de staat van de diesel en hoop dat de extra dieselfilter die ik heb gestoken zijn werk naar behoren zal doen. We steken voor de tweede maal vandaag de Amu Darya (of de Oxus voor de klassieken onder ons) over, maar deze maal is er geen grote brug maar een krammiekige ponton brug. De agenten die de brug bewaken twijfelen even of we er over mogen (max is 10 ton en wij wegen er toch al vlug 7 ton) maar als het even rustig is wagen we toch een poging. De metalen platen die op de brug gelegd zijn en aan elkaar gelast worden (aan de lasposten die op de brug staan te zien is dat een wederkerend werkje) bewegen een beetje teveel naar mijn goesting maar dit zal het wel houden zeker? Als Fietje de oversteek wilt filmen wordt ze onmiddellijk teruggefloten door een agent op de brug, niks filmen, geen foto’s. De weg naar Khiva heeft ook Turkmeense allures, wat is dat toch met die banen hier. Blijkt nadien dat we beter een langere weg hadden genomen in plaats van de kortste weg die de grens met Turkmenistan volgt. Als we in Khiva aankomen willen we naar een hotel rijden waar we kunnen kamperen (half hotel, half camping, maar niet echt goedkoop). We kunnen de straat niet in en om de boel een beetje te kunnen overzien rijden we vlug een parkingetje op. Daar ontmoeten we een Frans koppel dat ook op weg is naar Mongolië met een Landrover. Zij verblijven in het hotelletje net aan de parking en Fietje krijgt het voor elkaar om voor een prijsje een kamer te krijgen, met badkamer, airco, ontbijt, alles erop een eraan. Het is een gezellig ding in een historisch gebouwtje gelegen en op wandelafstand van de stad. Ondertussen gaat de zon onder en dit is het ideale moment om de muren rond de stad te gaan bezichtigen. Deze zijn inderdaad zeer speciaal en met de ondergaande zon kleuren ze prachtig. Als we dan in de stad nog een gezellig dakterras vinden waar we kunnen eten met zicht op de stad en de ondergaande zon kan ons geluk niet op. Hiervoor hebben we 11 000 km gereden, het is het zeker waard.

Aralmeer (of wat het was)

Was opgehaald, laatste blog gepost via het nukkige WIFI netwerk van het hotel en met de hulp van de manager water getankt. We zijn klaar om te vertrekken.

Fietje wilt persé de gestrande boten op de bodem van het opgedroogde Aralmeer zien en dus trekken we noordwaarts naar Moynaq dat vroeger aan de binnenzee lag.

De weg neemt hier en daar Turkmeense vormen aan en het is gloeiendheet, soms brengt een riviertje wat verfrissing maar voor de rest is het landschap redelijk ééntonig. Le Plat Pays van Brel zou hier niet misstaan.

Als we uiteindelijk de oude zee naderen begint de lucht ook naar zee te ruiken. We zien wilde paarden en de baan begint een beetje op een weg in de Camargue te lijken. Hier en daar zijn nog plassen over die zorgen voor het nodige groen en het is er vergeven van de reigers, er moet dus nog genoeg leven in die plassen zitten.

Als we uiteindelijk de oude dijk bereiken kan Fietje haar teleurstelling niet wegsteken. Er liggen twee kleine vissersboten op het droge en wat verderop heeft een ondernemende Oezbeek een paar roeste sloepjes verzameld, ze op een rij gezet in het zand en boven op de dijk een nep vuurtoren gebouwd.

NVS: Desalniettemin blijft het aanzicht van wat ooit een eindeloze watermassa is geweest, maar helaas, door de hand des mens (afknippen van rivier Amurdaria om de katoenvelden te irrigeren in Turkmenistan en Uzbekistan), is getransformeerd naar een dor, droog ecologisch rampgebied, even fascinerend als afstotend. De meeste bewoners uit het dorp die er de kost verdienden door visvangst en scheepsherstellingen zijn er vertrokken, nu de zee 150 km verder ligt en het dorp bestaat enkel nog uit koeien en schapen die iedere morgen door hun hoeders de droge zeevlakte worden ingestuurd. Er zijn geen winkeltjes meer en het enige voedsel dat je hier kan krijgen is droogvis (woehahahaha, wat een billenkletser).

We rijden de dijk af naar het strand maar dat lijkt me toch een beetje te mul. Als ik zie dat een Franse motard zich een beetje verder ook heeft vastgereden besluit ik maar in marche arriere en 4X4 de dijk opnieuw op te rijden. De eerste poging mislukt en bij de tweede beginnen de banden in het mulle zand zot te draaien maar gelukkig hebben we net genoeg grip om boven te geraken.

 

We besluiten op de dijk te overnachten en krijgen al vlug gezelschap van alle straatschoffies van het dorp. In het begin is het nog leuk maar er zijn er een paar die lastig beginnen doen en we willen ze eigenlijk liever kwijt. Niets blijkt te helpen tot Fietje probeert een foto van ze te trekken, dan stuiven ze als kippen uiteen.

Maar ze blijven toch terugkeren tot Fietje eens haar keel openzet en ze Kapitein Haddock gewijs de huid volscheld. Ze vluchten opnieuw de dijk af en als er een paar lelijk te val komen met hun fiets is ook voor hen de lol er af.