Tagarchief: Tadzjikistan

Bewogen lange dag

Laatste stukje op het hoge deel van de Pamir Highway. We gaan vandaag de grens over tussen Tadzjikistan en Kirgizstan. Her wordt nog een pittig ritje met twee passen boven de 4000 m, de grens zelf ligt op een pas op 4366 meter.

Mogje heeft opnieuw (hopelijk voor de laatste keer) last van zijn ochtendhoest maar werkt zich er toch mooi door. Het weer ziet er niet te best uit, er pakken zich donkere wolken boven China samen.

Fietje begint een beetje last te krijgen van de hoogte en we hopen dan ook zo vlug mogelijk de grens over te zijn zodat we eindelijk weer naar beneden kunnen. Als we de eerste pas naderen staan er allemaal wagens op het midden van de weg. We denken dat een paar toeristen een mooie viewpoint hebben gevonden en sakkeren al dat ze die wagen toch wat aan de kant mochten zetten. Op het moment dat we de auto’s passeren zien we dat ze pech hebben. Twee Franse gasten, met elk een Franse camionette raken niet meer vooruit. De ene heeft de andere proberen voortrekken maar dat lukt ook niet meer. Ze zijn bezig om de takel te verleggen naar een jeep maar aanvaarden liever onze hulp. De jeep rijdt zo vlug als hij kan weg, wetende aan wat hij ontsnapt, wij hebben niet door waar we aan begonnen zijn.

We maken een van de camionettes vast aan onze Mog (ze hebben gelukkig een soort sleeptouw mee wat we verlengen met een klimkoord) en vertrekken met een slakkengangetje naar de volgende pas, die eigenlijk de grens is. De koord breekt onderweg verschillende keren en telkens moet ik hem opnieuw leggen, die twee Fransen weten precies van de wereld niet. Als ik vraag wat eigenlijk de bedoeling is dan weten ze het ook niet echt goed. Ik leg hen uit dat ik hen zal slepen tot ze in veiligheid zijn maar dat ik het niet zie zitten om hen tot in Osh te slepen. Schaapachtig gaan ze akkoord en we slakken verder over berg en dal. Fietje is nog steeds niet goed en we hebben veel zin om die Franse kwietens achter te laten maar dat zou misdadig zijn, de ganse weg dat we hen slepen passeert er geen enkel ander voertuig.

Door dat urenlang slepen verliezen we enorm veel tijd en de kans dat we vandaag nog in Osh geraken wordt met de minuut kleiner. Eenmaal aan de grens gekomen koppel ik onze sleep los. De Fransen staan daar een beetje te dralen, geen bedankje kan er af. Als we naar de grenspost willen rijden worden we erop gewezen dat we zelf een platte band hebben. Ook dat nog en tot overmaat van ramp begint het nog te sneeuwen ook. De moed zinkt in mijn schoenen. Ik zie het echt niet zitten om op 4366 meter een band van meer als 80 kg te vervangen terwijl er een ijskoude wind blaast en het sneeuwt. Fietje is al helemaal niet in staat om te helpen dus dit wordt lastig.

We geraken zonder veel problemen door de grens die eigenlijk bestaat uit een houten hok waar je nog een beesten in zou houden. Binnen moet je wel je schoenen uit doen, God weet waarom, waarschijnlijk om je schoenen niet vuil te maken. Binnen staan wat metalen stapelbedden, brandt een kolenkachel die ook als fornuis dienst doet en staat een klein bureautje waar de sukkel van dienst alles in orde moet brengen.

Ik besluit de band niet te vervangen maar eerst op te pompen in hoop zo het 20 km lang niemandsland tussen Tadzjikistan en Kirgizstan te kunnen overbruggen. Daar zal het misschien iets warmer zijn en we zullen ook al een stuk lager zitten. De snelste manier om de band op te pompen is gebruikmakend van de compressor van de Unimog zelf en via het antiek ogende slangetje zonder manometer de boel op te pompen. Ik kruip onder de wagen met het slangetje, ontkoppel eerst een tweede slang en op slag begint er vanalles te lossen. In paniek los ik de volledige drukketel, koppel alles aan en start de motor. Door de drukketels te lossen duurt het een eeuwigheid op deze hoogte om een beetje druk te maken. Ondertussen zijn wat grenswachters komen helpen en na een tijdje zie ik de band toch wat vorm aannemen. Nu maar hopen dat dit zo blijft. Eens ik denk dat we genoeg druk hebben vertrekken we naar beneden.


Ik durf Fietje niet teveel ongerust maken, maar ik heb geen gevoel meer in mijn duim en in de bovenkant van mijn middelvinger. Zal wel door de kou komen denk ik, blijkt een paar uur later dat ik me blijkbaar lelijk heb verbrand en het niet eens gemerkt heb.

Het is een lange en vreselijke weg tussen de twee grensposten, 20 km door een terrein (dit kun je zelfs geen weg noemen) dat niet of weinig wordt onderhouden want het is niemandsland. Gelukkig zakken we al een paar honderd meter wat we onmiddellijk voelen, Fietje leeft helemaal op tegen dat we aan de volgende post zijn. Hier zullen we wel een poosje voor de slagboom doorbrengen, er is een konvooi toeristen dat van de andere kant komt en er is maar één lokketje om iedereen binnen of buiten te laten. Eens het onze toer is gaat het vlug, Fietje brengt de paspoorten binnen, ik moet even binnen voor de foto en dan kunnen we naar de douane.

Als het bijna onze beurt is voor de douane (er stonden nog twee vrachtwagens maar deze zijn klaar) komt er een auto van de andere kant, deze stopt voor de slagboom en er ontspint zich een levendige discussie tussen de douane en de twee personen in de wagen. Uiteindelijk verdwijnen ze in het kantoor en wordt ons gezegd 5 min te wachten. Ook de motards die een beetje later verschijnen krijgen dezelfde boodschap. We nodigen hen dan maar uit in onze Mog  en Fietje makt koffie voor henwant erg warm is het toch niet buiten.

Als we uiteindelijk toch bij de douane binnen mogen zie ik wat die twee met hun auto daar doen. Blijkt de ene een Bruggeling te zijn die hier meer als een jaar geleden gepasseerd is en niet meer uit Rusland mag met zijn auto omdat hij de douane papieren niet heeft. Hij is op zoek naar het dubbel dat ze hier hebben in een stapel van wel een meter hoog. We raken aan de babbel en omwille van zijn kennis van het Russisch en met de hulp van zijn gids moeten we uiteindelijk een correcte prijs betalen om binnen te mogen  ipv van een verzonnen getal (we hadden verhalen gehoord van mensen die 4 maal zoveel betaald hadden omdat ze nog geen Kirgische Som hadden).

Omdat we uren verloren hebben met die Franse kwietens te slepen en uren hier aan de Kirgizische grens wordt de kans klein dat we nog in Osh geraken. We hebben ook meer diesel verdaan dan gepland en omdat we nog geen som hebben zullen we moeten improviseren. Gelukkig wordt de weg vlug beter, de hoogte minder en het landschap wondermooi. Eindelijk weer groen, we hebben allebei de indruk dat we laatste dagen in een zwart-wit film geleefd hebben. Als we uiteindelijk de grote daling inzetten verschijnen overal Yurts in het landschap, samen met enorme bendes paarden. Prachtig gewoon. We kunnen gelukkig geld wisselen aan een tankstation en ondertussen tanken .

Nu is het kwestie van op onze tanden bijten. Het begint te schemeren maar de weg is goed en als we uit de kloven komen valt het nog mee van zichtbaarheid. We doen wat we nochtans voorzien hadden niet te doen en rijden ook in het donker verder. We passen wel onze snelheid aan want veel zie je niet zonder straatverlichting en met tegenliggers waarvan de lichten niet altijd goed afgesteld zijn.

Als het al goed donker is komen we aan in het Sunny Hostel, we kunnen daar parkeren naast de wagens van het Rode Kruis, de Red Crescent, IOM/OIM en een paar andere overlanders. Net naast de deur is er een openlucht restaurant waar we iets gaan eten terwijl we naar de match tussen Korea en Polen kunnen kijken.

Het doet deugd om, zoals Mich liet weten, opnieuw dikkere lucht in te ademen, en te beschikken over internet. Fietje is dan ook dolgelukkig om even met de zonen te skypen en te horen dat alles ok loopt aan het thuisfront.

Eén van de vele Karakols

Tegen dat ik koffie heb gezet is het al behaaglijk warm in ons huisje. Buiten waait nog steeds een ijskoude wind. We ontbijten op ons gemak zodat de zon alles kan opwarmen. Ik check ons oliepeil (gisteren een beetje teveel blauwe rook gezien) en onze dieselfilter, alle blijkt in orde. Omdat we hier niet zullen kunnen tanken moet ik diesel van onze reservetank overpompen in de hoofdtank. Gelukkig zit er hier nog een filter met waterafscheider tussen, voor ik er erg in heb zit het kijkglas vol met één of andere smurrie. De diesel schuimt dat het geen naam heeft. Ik reinig de filter en begin opnieuw, deze keer gaat het iets beter. Zou er dan toch water in die diesel zitten of is het dat goedje dat we er in gekapt hebben tegen het bevriezen van de diesel?

Terwijl ik bezig ben komt meneer agent toch eens goedendag zeggen. Als hij vraagt om eens binnen te mogen kijken herkent Fietje hem als wat ze meende de dorpsgek te zijn. Hij is gisteren zeker 4 keer langs geweest om te vragen wat het probleem was, iedere keer heeft Fietje hem wandelen gestuurd.

Murghab

Tijd om de Mog te starten. De batterijen doen het in elk geval goed bij deze koude, maar de Mog pruttelt en hoest en blijft uiteindelijk wel draaien al is het niet met volle goesting. De rookpluim die hij uitspuwt (wat onze buren thuis helaas ook kennen) wordt gelukkig door de wind verdund voor die de huizen bereikt. Na een minuutje of zo begint de motor toch op een normale manier te draaien en tegen dat ik alles heb opgeborgen draait hij zoals het hoort (toch voor deze hoogte).

Vandaag wordt een dagje highway. Opnieuw zijn de zichten wondermooi, de weg daarentegen … De goede stukken wisselen opnieuw met slechtere die je niet altijd ziet aankomen.

Al vlug komen we aan in Murghab en tot onze verwondering is dat al meer een stadje. Opnieuw gaan we op zoek naar eten en deze keer hebben we meer geluk. Er is hier een heuse bazaar, samengesteld uit oude zeecontainers (zee? hier?) en stukken oude bussen en vrachtwagens. We komen opnieuw de Zwitserse broers tegen en gaan eten in wat er een leuk trekkers hoteltje uitziet. We besluiten niet hier te blijven maar vandaag nog de grote pas (Akbaital 4655 m) over te steken en in Karakol slaping te gaan zoeken. De pas zelf blijkt te bestaan uit een slijkerige aardeweg waar hier en daar rotsen uitsteken, highway mijn botten.

NVS: op deze hoogte is de hemel donkerder blauw en de zuurstof wordt schaarser, wat wel zo zijn gevolgen heeft. Als ik snel snel een heuveltje wil opklimmen om een foto te nemen zak ik halverwege door mijn knieën en happend naar lucht wordt het wat zwart voor mijn ogen. Rustig aan doen dus!

Eenmaal de pas gepasseerd begint er naast de weg een ‘border fence’, dit is eigenlijk de grens met China aan de Tadzjikse kant. De echte grens ligt waarschijnlijk ergens op de toppen van de bergen maar deze fence zullen we toch nog voor een tijdje zien.

Fietje heeft op iOverlander een prachtig plaatsje gevonden aan het Karakul meer. We rijden de weg af en moeten nog zo’n 12 km off road rijden voor we uiteindelijk aan het meer zijn. Het is er inderdaad prachtig.

Maar we merken beiden aan elkaar dat er iets scheelt. We zijn er allebei niet gerust in om hier te blijven. We staan wel erg ver van de weg en van de bewoonde wereld. Stel dat de Mog niet start morgenochtend dan mogen we op 4000 m hoogte eerst nog 12 km bergop/bergaf tot aan de weg in de hoop dat er dan al iemand passeert.

We willen het risico niet lopen en rijden terug naar de weg en van daar naar het dorpje Karakul om net buiten het dorp te parkeren met zicht op het meer en de hoge besneeuwde bergen. Opnieuw waait er een ijzige wind dus we moeten van de bergen genieten door onze kleine raampjes.

Higher and higher

We vertrekken van ons prachtig plekje richting Langar en denken daar nog boodschappen te doen voor we aan de grote klim richting Pamir Highway beginnen. We zitten nu op 2700 m, moeten een pas van 4344 m over en zullen vannacht slapen op een hoogte van 3800 meter, lager of dat zullen we de komende dagen niet meer geraken.

Voor we het weten zijn we Langar (een dorp van 10 keer niks) gepasseerd en beginnen de haarspeldbochten die het begin van de klim aangeven. We denken een paar van die bochten te doen en dan een autostrade naar boven te vinden maar niets in minder waar. Hoewel het uitzicht na iedere bocht nog mooier wordt, wordt de weg ook wel een beetje benauwelijker. Net voor de pas stoppen we voor een eenzame Engelse fietser die uitgeput de klim naar boven naast zijn fiets maakt. We vragen hem of we hem kunnen helpen maar was niet nodig. Toch ongelooflijk hoe die fietsers, vaak helemaal alleen, deze route kiezen. Voor hen is het blijkbaar het mekka van het fietsen, een beetje zoals de marathon in New York voor de renners. Of is het een boetedoening?  (nadien horen we van velen onder hen dat ze blij zijn maar het nooit meer opnieuw zullen doen).

Als we op een gegeven moment een grote u-bocht moeten maken rond een waterval ziet het baantje er echt uit als in “World’s Most Dangerouse Highways” op National Geagrafic. Fietje loopt wat bleek aan (kan ook aan de hoogte liggen) en ik hoop innig dat er nu niemand van de andere kant komt, ik zou niet weten wat we dan zouden moeten (wij bergaf achteruit, of de andere bergop achteruit en dat voor kilometers want er is nergens een pad breder dan onze Mog).

We klimmen gestaag door prachtige landschappen, steken riviertjes over en hobbelen over keien de grootte van een basketbal. Geen idee hoe die mannen met hun Volkswagen busjes en consoorten dat doen zonder hun carter in stukken te beuken.

Als we een stuk betwist gebied naderen staat daar opnieuw een militaire controle post. Zelfde scenario, vriendelijke jonge gewapende kerels, paspooort, visum en dadaaaa. Het is er koud en winderig en ik vraag me af hoe die mannetjes dat hier in de winter overleven.

Eens onze pas over is de weg opnieuw een beetje normaal, ttz een grind/keienpad dat we langzaam verslinden. En dan zien we plots telefoonpalen opduiken. Net zoals de zeevaarders vroeger blij waren als er meeuwen opdoken, dat betekent dat er land in zicht is, zijn wij blij met de telefoonpalen, de ‘highway’ kan net ver meer zijn. En inderdaad, plots stoten we op een stuk onvervalst asfalt, helemaal gaaf, het is net een droom. We duwen de Mog op zijn staart (deze spuwt een wolk pikzwarte rook uit wat we van hem niet gewoon zijn) en voor we het weten rijden we warempel 50 km/u. Maar te vroeg gejuicht, al vlug duiken de eerste richels op en we dansen heen en weer als op de kermis. In het begin vinden we het geweldig maar na een kwartier moeten we opnieuw onze snelheid aanpassen. Zeker als ook hier opnieuw grote gaten in het wegdek verschijnen of de weg gewoon een washboard van asfalt wordt.

Het uitzicht is adembenemend. je rijdt er door een brede vallei, op 4000 meter hoogte en links en rechts toren er nog besneeuwde bergtoppen op. Na iedere bocht verandert het scenario: andere kleuren, andere vormen.

Zoals vermeld in onze gids is er weinig tot geen verkeer op dit traject en hebben we slechts twee jeeps  tegengekomen. Stiekem hoop je  toch dat je hier geen panne of een ander akkevietje oploopt…

We besluiten om te overnachten in Alichur, het eerste dorp dat we zullen tegenkomen. Dit blijkt een nederzetting te zijn zoals uit de reportages over Inuit dorpen in het hoge noorden. We gaan op zoek naar een winkeltje want we hebben eigenlijk niet veel meer mee om te eten. Volgens iOverlander is er hier een winkeltje dat ze omschrijven als ‘the better supermarket’, we hadden niet onmiddellijk de humor van de titel door, maar als er iemand het winkeltje openmaakt voor ons weten we opnieuw wat ironie is.

Iets verder is er een madammetje brood aan het bakken in een oven die buiten staat. Als we vragen waar we dat brood kunnen kopen krijgen we er onmiddellijk twee in onze handen gestopt. We dringen aan om toch te betalen maar de vrouw wil niets aanvaarden. Fietje gaat in onze truck dan maar wat koekjes halen die ze aan de dochter geeft. Het brood blijkt dan nog overheerlijk te zijn bovendien.

We hadden gehoopt hier een mooi plaatsje te vinden maar in dit zielloos dorpje blijkt dat toch niet zo simpel. Het is ondertussen nog harder gaan waaien en de wind is op deze hoogte ijskoud. Uiteindelijk parkeren we ons naast het hoogste gebouw dat we kunnen vinden, zodat we tenminste beschut zijn tegen de wind. Blijkt dit eigenlijk het plaatselijke politiekantoor te zijn, maar we vinden niemand die ons toestemming kan geven. Zal wel ok zijn zeker?

Iets verder gaan we in een “guesthouse” (ongeveer alle huizen hier zijn omgetoverd tot ‘homestay’ of ‘guesthouse’) iets eten, blijkt letterlijk niet veel soeps te zijn maar we hebben toch iets warm binnen. We testen voor alle zekerheid nog eens onze chauffage (die het volgens het boekje niet zou mogen doen boven de 3000 m) en deze schiet zonder pruttelen aan. We zullen hem echter niet nodig hebben, binnen in de Mog blijft het aangenaam warm (toch onder een dubbel donsdeken) terwijl de temperatuur buiten langzaam net onder nul zakt. Benieuwd wat de combinatie hoogte (en dus weinig zuurstof) en koude morgen zal geven als we de Mog zullen starten.

Easy going

We besluiten om het vanaf vandaag wat rustiger aan te doen, regelmatig te stoppen en ook in de late namiddag al een slaapplek te zoeken. De laatste dagen hadden we namelijk veel en lang gereden en hadden we ons serieus mispakt aan de staat van de wegen waardoor we wat tijd hadden verloren. We hebben een visum voor 1 maand maar ons voertuig mag maar 15 dagen in het land blijven. Waarom? Geen één die het weet.

Maar goed, hier zijn we dan aan de start van wat we zeker op ons verlanglijstje hadden gezet: de Wakhanvallei, links afgezoomd door de Shakdara range, met bergen tot 67OO meter hoog (Engels Peak, Karl Marx Peak), en rechts de Hindukush Range, met Afghaanse reuzen ook tot boven de 6000 meter.

Hier is de rivier breder, rustiger, heeft mooie meanders en zijn de dorpen die we doorkruisen zeer groen. Het is er schitterend. In de dorpen vind je er shrines, begraafplaatsen afgezoomd met muurtjes waarop de horens en schedels van Ibexen schitteren. Ook binnen de muren vindt je er opgehoopte schedels en horens. We hopen de dieren ook in het echt te kunnen zien maar die zitten helaas veel hoger in de bergen.

 

In Yamchun gaan we de berg links op en bezoeken er een oud fort en even hoger ook een warmwaterbron, waar je tegen een kleine betaling kan baden. Er is een apart bad voor mannen en vrouwen. De aanwezige dames tonen me uitgebreid hoe ik het warme water moet laten stromen over mijn schouders (tegen rugpijn), over mijn haren (voor een weelderige dos), en hoe ik het water dat uit een gat uit de muur sijpelt moet opdrinken (voor het inwendige geluk). Man, dat deed deugd.
Ok, de rit erheen was even spannend, maar een halfuur liggen in het warme water doet rug- en nekpijntjes even wegebben.

Oud fort met zicht op de vallei
Twintig jaar jonger na het bad…

We rijden verder en parkeren ons Mog op een sprookjesachtige plaats: een groen gazonnetje, aan een meander van de rivier, weg van de baan en huizen. Er geraken was andere koek maar ook deze hindernis nam Arno met zijn ogen dicht. Ook nu is het opnieuw moeilijk om buiten te blijven omwille van de opstekende en frisse wind.

Opwaaiend stof door de vallei

Aan de voet van de Wakhan vallei

 

We verlaten ons plekje aan de rivier en rijden verder richting Khorog, dat we kort voor de middag bereiken. Khorog is een heerlijk stadje en een ideale uitvalsbasis om te starten aan ofwel de Pamir Highway, of de Wakhanvallei. Er is een levendige bazaar, er is een prachtig park dat wat soelaas brengt voor de hitte, er zijn winkeltjes, restaurantjes, guesthouses en vooral het geeft een zeer gezellige warme indruk.

Binnenrijden Khorog

We zien er ook wel wat toeristen, vooral fietsers, die er net als ons het toerisme-informatiebureau bezoeken. We kopen er een stafkaart van de streek en vragen naar de staat van de wegen die er aankomen. De jongeman staat ons te woord in vloeiend Engels en zegt dat zowel de route via de vallei, als de Pamir Highway ok zijn. We hadden even getwijfeld of we de Wakhanvallei nog zouden doen aangezien we wat tijd hadden verloren. Maar enigszins gerustgesteld door deze woorden concluderen we toch om de vallei af te rijden.

We blijven er niet en beginnen aan onze tocht door de Wakhanvallei, verder zuidwaarts dus verder langs de Afghaanse grens.

Tapijten worden langs de baan, dichtbij de bron gewassen

We rijden tot Ishkashim want het mooie van deze rit begint blijkbaar na dit dorp. Het was wederom langzaam en moeilijk rijden want de weg is toch niet zo ok als we hadden begrepen in het toerismebureau. We slapen er op de parking van een guesthouse, dat eruitziet als een voormalig Russisch gesticht voor zwakzinnigen… maar nadien bleek het een Sovjet vakantiekolonie te zijn geweest, de naam is veranderd maar de mensen die er werkten zijn gebleven denken we (of zij zijn de zwakzinnigen die achter gelaten zijn, wie weet). We eten er boven in de kale en ongezellige kantine maar iedereen is er heel vriendelijk en behulpzaam. We kunnen er de (warme) douches en het (Westers) toilet gebruiken in ruil voor 2 dollar. Niet gesukkeld dus.
We nemen ons voor om vanaf morgen iets rustiger aan te doen, tijdig te stoppen.

Langs de weg zij er regelmatig controleposten: kleine hokjes, bemand door al even kleine militairkes, en een bareel.  Hier geef je je paspoort en je visum af en worden je gegevens nauwkeurig in een groot schrift, onderverdeeld in kolommen, neergepend. We rijden hier nl door een autonome regio van Tadzjikistan, waarvoor we in België, bij aanvraag van ons visum, reeds een toelating hadden gevraagd.

Op weg naar Khorog

Na het ontwaken gaan we eerst boodschappen doen in het dorp en vervolgen onze weg naar Khorog, 240 km verder.
Al snel stellen we vast dat we er die dag niet zullen geraken…Het slechte wegdek doet ons niet sneller rijden dan 20km per uur… Rijden doe je hier aandachtig, voorzichtig en het is dus zeer vermoeiend waardoor we mekaar ieder uur afwisselen. Niet alleen is de staat van de weg erbarmelijk, de weg is ook heel smal en slingert vaak de hoogte waarbij de afgrond naar de dieper gelegen wilde rivier toch wel heel dicht bij je rechterbanden komt hoor. Het kruisen van vrachtwagens maakt het geheel nog extra spannend, en bij één ervan hebben we helaas afscheid moeten nemen van onze achteruitkijkspiegel…

Omlaag gevallen steenbrokken en landslides

Het enige vervoer dat je er tegen komt zijn volgeladen 4×4 jeeps, taxi’s eigenlijk voor de plaatselijke dorpsbewoners als alternatief voor bussen. Die zie je in bosjes langs de kant van de weg staan. en ook als wij passeren doen ze teken met hun hand, een vraag of ze kunnen mee rijden.Maar we ontmoeten ook toeristen die georganiseerd reizen en zich door jeeps laten vervoeren wat het allemaal wel sneller maakt want die vlammen door putten en over washboards dat het geen naam heeft, vaak ten koste van een lekke band, een kapotte vering… langs de baan zie je dan ook regelmatig verhoogde platforms waar je makkelijk onderaan aan de auto kan werken.

Langs de weg zien we plots een minibusje dat van de weg is afgereden en nog door een boompje wordt tegengehouden en zo net niet de dieperik instort. Het wemelt er van het volk dat de banden van het busje aan het uitgraven is. Er werd al een kabel bevestigd aan een krammiekelig oud Russisch vrachtwagentje om te vermijden dat het toch de rivier zou invallen. We bieden onze hulp aan en na het bevestigen van een stalen kabel aan de Unimog, trekt Arno het busje uit zijn benarde situatie. Iedereen blij.

With a little help from a friend

We zijn moe en zoeken een plaats om te overnachten wat we vinden in een dorp, de naam zijn we vergeten. We vragen of we er langs het voetbalplein aan de rivier mogen staan, wat geen probleem is. Het hele dorp is er aan het voetballen of aan het keuvelen en we maken er kennis met een jongeman die behoorlijk goed Engels praat.
Hij vertelt dat er vaak dodelijke ongevallen gebeuren langs de weg: auto’s die de rivier instorten maar ook wagens die verpletterd worden door rotsbrokken die van hoog naar beneden vallen. Pfffffff.

De vallei valt soms weids uit, zoals hier. De rivier wordt dan aanzienlijk breder, de stroming iets rustiger en de oevers worden brede groene vruchtbare akkers. ’s Avonds steekt er een behoorlijke wind op en vult de vallei met een stofwolk dat door de bergwanden raast en het onmogelijk maakt om buiten nog even na te genieten van het wondermooie zicht. Maar we zijn moe en gaan snel slapen.

Tajikistan of is het Afghanistan?

Na een rustige nacht aan het meer vertrekken we verder zuidwaarts naar Dangara, om dan via Kulob, opnieuw noordwaarts te klimmen langs de Afghaanse grens, via Zigar, Yoged, naar Kalai-Khum. Vandaar moeten we weer zuidwaarts naar Khorog. In Khorog kun je dan kiezen: ofwel neem je er onmiddellijk de Pamir Highway, ofwel daal je eerst af via de Wakhanvallei om iets oostelijker de Pamir op te rijden.

De weg valt nog altijd reuze mee tot even na Kulob en na het oversteken van een pas op 2200 meter.
Vanaf dan is het weer koekenbak en verandert de baan in geperforeerde asfalt, een kaas-met-gaten-nachtmerrie , die we zigzaggend en dus met geringe snelheid afrijden…

En plots is de weg even weg….

Na de Shurabadpas klimmen we omhoog via de Panj rivier die de grens vormt met Afghanistan. Je rijdt er werkelijk tussen twee muren van reusachtige bergen, links die Van Tadjikistan, rechts die van Afghanistan, die, hun toppen in sneeuw gehuld, naast je wagen oprijzen tot soms 4750 meter hoog. In het midden brult de brede, kolkende rivier en hoewel geen haar op je hoofd er aan zou denken om die over te zwemmen, lijkt Afghanistan toch binnen handbereik, zo dicht! De schrik slaat me om het hart: aandachtig speur ik de Afghaanse bergen af naar een eventueel losgeslagen Moudjahedin die zijn bazooka richt op ons (militair) voertuig. Maar ook die hoge bergen, beneden afgezoomd met een tapijt van neergestort steenslag (soms met een omvang van een berg op zich) doen mijn ongerustheid zwellen tot groot jolijt van Arno natuurlijk. Het duurt even voor ik eraan wen en kan genieten van de schoonheid van de bergen en de rivier. Gelukkig maar want na een snelle berekening blijkt dat we deze grens zo’n 1000km zullen volgen…

Links Afghanistan, rechts Tajikistan

Militairen zie je maar sporadisch langs de weg lopen en ook aan de overzijde bespeur je maar af en toe een militair kamp.
Slapen langs de rivier kun je hier niet want je wordt door de militairen omwille van veiligheidsredenen aangemaand in een dorp of op een truckparking te staan. We besluiten te overnachten in het dorp Khalai-Khum, waar de weg uit Duchanbe samenkomt met de Zuidelijke baan die wij hadden genomen. Het dorp heeft weinig charme en we zetten onze Mog iets voor het dorp op een verlaten en verhoogd terrein (een beetje uit het zicht van de weg), waar we al snel het gezelschap krijgen van een familie die er woont. Ze brengen ons koekjes en bessen. Met de kinderen oefenen we onze talen, ik met mijn woordenboekje Tadzjiks, zij met hun schoolcursus Engels.
We vallen in slaap met zicht op het Afghaanse reuzengebergte.

Moudjahedin????

Dusjanbe

Rond vijf uur worden we gewekt, niet door Anar zijn werkmannen maar door een voetbaltrainer die letterlijk naast ons hoofd bevelen begint te roepen voor de training die op dit onchristelijk uur begint. We proberen nog wat slaap te halen maar als de volledige reserve bank beslist om in de schaduw van onze Mog hun ploeg aan te vuren mogen we dat wel vergeten.

We hebben gisteren geen boodschappen gedaan, alles dicht en wij nog steeds geen geld gewisseld, maar Anar zijn verkoper is ondertussen aangekomen, zet waarempel een terrasje buiten, maakt echte koffie voor ons en voorziet ons van een stapel gebakjes die bij het Suikerfeest horen. Voor de rest kunnen we niet veel doen, Anar had beloofd dat er volk zou komen maar het zou waarschijnlijk eerder tegen de middag zijn.

Als eerste arriveert de lasser die wat verder een shop heeft en door Anar gevraagd is om te komen kijken naar ons dakrek. Samen halen we de band van het rek, demonteren het rek en hij verdwijnt ermee naar zijn shop om hier en daar wat dingen te verstevigen.

Fietje heeft ondertussen haar fietsje genomen en gaat op verkenning in de stad, op zoek naar geld en eten. Ondertussen zal ze nog de grote vlaggenmast gaan bezoeken en wat andere bezienswaardigheden, veel kan ze hier nu toch niet doen en deze plaats is nu ook niet de mooiste van het land.

Als de lasser terugkomt met het rek (en het vuile Iraanse werk een beetje fatsoenlijk heeft gemaakt, hij heeft het rek zelfs volledig geschilderd) monteren we samen de boel. Blijkt dat het rek van de twee lasbeurten toch wat gaan trekken is en we hebben wat moeite om het op zijn plaats te krijgen. Ondertussen zijn ook de bouten te kort geworden omdat hij plaatjes heeft bijgelast. Gelukkig is het een bijdehandse kerel en voor Fietje terug is ligt de band al terug op zijn plaats.

Iets later komt de volgende werkman aan, hij gaat alle vloeistoffen controleren en de olie in de motor vervangen. Anar heeft alles mooi op een blaadje geschreven maar toch moeten ze hem af en toe bellen. Blijkt de oliefilter niet de juiste te zijn (stond nochtans zo in de MB databank) en moet er koelvloeistof bij maar weten ze niet welk kleur (en dat vragen ze dan aan mij.. )

Tegen dat hij klaar is met alles te checken of te vervangen komt Anar toe. Met allemaal samen kijken we nog eens wat er lawaai maakt als de kabine beweegt. Conclusie niets ergs, we kunnen dus vertrekken nadat we betaald hebben en toch nog wat geld wisselen. Anar kent een betere weg om uit de stad te komen en rijdt voor ons, eerst naar een tankstation en dan naar een echte Auchan, midden in Duschanbe. We kunnen onze ogen niet geloven als we daar binnenstappen en moeten ons inhouden om niet allemaal peperdure europese producten te kopen. Maar eindelijk hebben ze hier koffie (echte koffie, geen Nescafe of Turkse rommel) en beschuiten en en en ….

Anar heeft ons afgeraden om de ‘hoofdweg’ (M41, eigenlijk het begin van de Pamir Highway) te nemen wegens in zeer slechte staat. We rijden dus eerst wat zuidwaarts en zullen dat morgen de Afghaanse grens volgen tot de baan samenkomt met de M41.


Als we een paar prachtige meren passeren is Fietje vlug verkocht, dit wordt onze slaapplaats, niet midden in de stad tussen een paar garages met een nest voetballers rond ons maar midden in de natuur, al moeten we ervoor 4 km’s afdalen langs een geitenpad…

 

tijd voor wat frisse berglucht

Tijd om afscheid te nemen van Samarkand en van Oezbekistan, op naar nieuwe uitdagingen. We gaan opnieuw de bergen in. Iedere overlander die we spreken heeft zo een beetje hetzelfde gevoel : ‘het is wel geweest met de woestijn, nu is het tijd voor wat frisse berglucht’. We bergen onze zandsletskes op en trekken onze bergbottinnekes aan.

Voor we naar de grens rijden (nog geen 50 km, volgens iedere GPS die we proberen en ieder programma waarmee we een route willen berekenen is er gewoon geen weg naar de grens, strange… ) wilt Fietje toch nog het beeld van Timur gaan bezien. Timur is één van die zotten in het rijtje met een eigendunk waar Trump nog een puntje kan aan zuigen.

De grensovergang is een fluitje van een cent, voor we het weten zijn we weg uit Oezbekistan en al even vlug zijn we binnen in Tadzjikistan (na het betalen van de nodige taxen natuurlijk ). Aan beide zijden zijn de beambten zeer vriendelijk en behulpzaam en de meesten spreken warempel een beetje Engels.

En dan een droom, een weg zonder pitten en bulten, gewoon asfalt waar je niet moet slalommen, waar je gewoon rechts kunt blijven rijden en volle bak kan gaan  (al is volle bak met een Unimog nog niet om over naar huis te schrijven ;-). Van het moment dat we Samarkand hebben verlaten is de weg constant blijven stijgen. Het duurt dan ook niet lang of we zitten in de eerste bergjes. Het is er helaas niet echt veel frisser. De bergjes worden al vlug bergen en voor we het weten rijden we door kilometers lange, slecht of niet verlichte tunnels, maar we kunnen tenminste doorrijden.

Dan wacht ons een verrassing. Blijkbaar is deze weg een tolweg en tol moet betaald worden in sumoni, het is in Tadzjikistan ten strengste verboden met iets anders te betalen. Ook geld wisselen mag enkel en alleen in een bank, blijkbaar staan op beide misdrijven redelijke straffen horen we later. We hebben nog geen geld gewisseld, ik zou niet geweten hebben waar. Ik heb wat sumoni kunnen kopen van een paar trekkers die hun plannen hadden gewijzigd en dat geld dus niet konden gebruiken. Volgens mij hebben we niet genoeg om de tol te betalen. Er ontspint zich een discussie van jewelste, niemand verstaat de ander. Zij denken dat we niet zoveel willen betalen en verstaan niet dat we gewoon dat geld niet hebben omdat we net van Oezbekistan komen. Ik bega de fout om te proberen in dollars te betalen, de discussie verhit en het mannetje aan het loket sluit zijn raam zelfs. Er is er toch ene bij die zaken ruikt en onze dollars wel wil wisselen, maar dan moeten we eerst achteruit rijden tot we uit het zicht van de camera’s zijn. Blijkt zijn koers een beetje aan de lage kant te zijn en terwijl ik mijn dollars opnieuw wegsteek zie ik dat we met gemak genoeg sumoni hebben om de tol te betalen.

Met beschaamde kaken keren we terug naar het loket, betalen braaf en rijden vlug door. Een beetje verder is het weeral van datte, we proberen in een lagere categorie te geraken om minder te betalen maar het lieve kind houdt voet bij stuk en dokken zullen we. Niets aan te doen.

Eindbestemming voor vandaag is Dusjanbe, hoofdstad van Tadzjikistan. We hebben daar een afspraak met Master Anar die onze wagen een onderhoudsbeurt zou geven voor we vertrekken naar de Pamir. Dusjanbe is gloeiend warm en de nieuwe burgemeester heeft besloten dat het dringend tijd is om een paar nieuwe lanen aan te leggen en dat dat vooral allemaal op hetzelfde moment moet gebeuren. Resultaat is dat de stad in stukken is gesneden door kilometers langer bouwwerven en dat het verkeer via allerlei sluipweggetjes maar moet proberen aan de andere kant te geraken. Onze GPS-en zijn niet akkoord maar gelukkig weet GPS Fietje via zo’n sluipweggetje toch de plaats van de afspraak te vinden.

Het is ondertussen toch al redelijk laat en er zal vandaag wel niets meer gebeuren maar ik ga toch op zoek naar Master Anar zijn doening. Als ik door het metalen hekken loop waarachter ik de shop vermoed wordt ik van bovenaf aangesproken. Zit er daar een soort bewaker in een oude bus die ze op een stelling hebben gezet. Hij overziet het binnenplein waar allemaal verschillende garages en werkplaatsen zijn en waar in het midden een voetbalveld ligt omgeven door een metershoog hekken.

De bewaker laat me weten dat Master Anar er niet is en zijn shop dicht is. Ik ga toch eens loeren, blijkt het een deftige garage te zijn (vergeleken met al de rest ) maar potdicht. Dit is een beetje vervelend want we hadden gehoopt voor de garage te kunnen slapen. Als ik terug naar buiten loop hoor ik opnieuw de stem van boven, hij wijst op een wagen die net binnen rijdt, Master Anar komt net met zijn familie het terrein opgereden. Hij heeft onmiddellijk door wie ik ben stopt. Al vlug krijg ik te horen dat we eigenlijk op een slecht moment komen en er voor maandag (het is nu vrijdag) nergens gewerkt wordt (ik had al zoiets gehoord van de douane beambte die onze auto moest inschrijven ), het is namelijk een verlengd weekend omwille van het einde van de Ramadan. Als hij mijn ontgoocheling ziet en snapt dat we geen drie dagen hier willen blijven belooft hij om alles in het werk te stellen om zoveel mogelijk werk toch de volgende dag te laten doen.

We mogen onze Mog het terrein oprijden en parkeren voor zijn shop, naast het voetbal terrein waar ondertussen een eindeloze match is begonnen.
Anar spreekt Duits, Russisch en een klein beetje Engels, zijn vrouw daarentegen spreekt vloeiend Engels (en Duits en Russisch ) net als hun dochter. Uiteindelijk hebben we nog een gezellige babbel met haar terwijl Anar het nodige probeert te doen om morgen wat werk gedaan te krijgen.

Slapen zullen we vandaag niet meer, daar zorgen de onvermoeibare voetballers wel voor.